‘Onophoudelijk aan het schrijven in mijn hoofd’. Een avond met Jung Chang

De imposante cirkel van de Gentse aula in de Volderstraat was afgelopen donderdag het passende decor voor een boekvoorstelling die het midden hield tussen literaire fictie en kritische geschiedschrijving.

Dankzij een samenwerking tussen China Platform UGent, uitgeverij Lannoo, Made in China en Kunstencentrum Vooruit werd de Chinese wilde zwaan Jung Chang uitgenodigd om haar nieuwe roman ‘Dochters van China’ voor te stellen. Aan het begin van de avond werd echter gefluisterd dat de auteur stemproblemen had omdat ze ziek zou zijn. Het leek ons niet het gepaste moment om mopjes te maken over zieke Chinezen, maar vicerector Mieke Van Herreweghe verwees er wel eens naar toen ze in haar woord van welkom de hoop uitsprak dat het virus de vreugde van het Chinese Nieuwjaar niet zou overschaduwen.

En toen was het aan Jung Chang zelf. Voor ze werd geïnterviewd wilde zij immers de tijd nemen om de personages uit haar nieuwe boek aan ons voor te stellen. Van zodra ze het podium beklom was van stemproblemen niets te merken. Ze stak meteen van wal met een toespraak waarin ze duidelijk maakte hoe ze schrijfster is geworden.

‘Je moet weten dat ik in China ben opgegroeid. Het was geen gemakkelijke tijd. Schrijver was op dat moment één van de gevaarlijkste beroepen. In die jaren, tijdens Mao’s politieke zuiveringen, werden bijna alle schrijvers veroordeeld. Er waren er die zelf uit het leven stapten en sommigen werden zelfs daadwerkelijk geëxecuteerd.

De daad van het schrijven zelf werd als gevaarlijk beschouwd. Ik herinner me nog dat ik mijn eerste gedicht schreef toen ik 16 jaar oud was in 1968. De Culturele Revolutie was in volle gang. Ik lag op mijn bed mijn gedicht bij te schaven toen ik plotseling werd opgeschrikt door luid gestommel. De Rode Gardes waren ons appartement binnengevallen. Ik wist dat ik in de problemen zou komen als je mijn gedicht ontdekten dus vluchtte ik snel naar de badkamer waar ik het gedicht verscheurde en in het toilet doorspoelde. En zo eindigden mijn eerste stappen in de literatuur.

Maar ik bleef steeds in de ban van een verlangen om te schrijven. In de daaropvolgende jaren werd ik verbannen naar de rand van het Himalayagebied waar ik moest werken als landbouwer, als staalbewaker en als elektricien. Maar zelfs toen ik daar elektrische installaties aan het nakijken was, was ik in mijn hoofd onophoudelijk aan het schrijven met een ingebeelde pen. Helaas kon ik niets echt op papier zetten.

In 1976 deden zich in China een aantal veranderingen voor en twee jaar later kon ik als één van de eerste Chinese vrouwen in het westen gaan studeren. Ik kwam in Londen aan en vanaf dat moment kon ik vrijuit schrijven. Maar mijn verlangen ertoe was verdwenen. Ik was immers aangekomen in een totaal nieuwe wereld. Alsof ik op Mars was geland. En ik wilde ieder moment gebruiken om die nieuwe wereld in mij op te nemen. Schrijven voelde toen aan als een blik naar binnen of een blik op wat voorbij was. Ik had mijn thuisland achtergelaten en ik wilde focussen op het nieuwe.

Wat moeten we er zelf ook gek uitgezien hebben. Het was niet toegestaan om ons alleen op straat te begeven. We moesten ons dus voortdurend in groep voortbewegen en we droegen allemaal hetzelfde Zhongshanpak.

Het was een heerlijke tijd voor mij. Ik genoot van het leven en ik hield ervan om regels te doorbreken. Eén van die regels was dat we nooit een Engelse pub mochten betreden. Het woord zelf, pub, impliceerde een onfatsoenlijke plek. Een oord waar naakte vrouwen op de tafels dansten. Dat prikkelde natuurlijk mijn nieuwsgierigheid. Toen ik op een dag uit mijn ‘college’ kon wegglippen, stapte ik een pub binnen maar ik zag niets van wat omschreven werd. Er zaten wat mannen een biertje te drinken. Ik moet bekennen dat ik me eerder ontgoocheld voelde.  

Tien jaar later kwam mijn moeder mij opzoeken in Londen en voor het eerst in mijn leven vertelde ze me verhalen van haar leven en verhalen van mijn grootmoeders leven. Toen ze eenmaal begonnen was, kon ze niet meer stoppen. Uiteindelijk is ze een half jaar bij mij gebleven en elke dag vertelde ze verhalen. Ik besefte al snel dat ik niet alles zou kunnen noteren. Maar al die tijd was ik de hoop blijven koesteren om ooit een schrijfster te worden en dat verlangen werd door haar verhalen weer aangewakkerd. Dat voelde mijn moeder ook aan en ze moedigde mij aan om mijn droom waar te maken. In die tijd werkte ik aan de Londense universiteit en tijdens mijn lessen sprak mijn moeder alles in op een taperecorder. Op die manier liet ze 60 uren aan materiaal bij mij achter. Die opnames lagen aan de basis van ‘Wilde Zwanen’. Na de publicatie van dat boek, in 1991, werd ik echt een schrijfster.’ (vertaald uit het Engels door Karel-Willem Delrue)

Jung Chang is onwaarschijnlijk grappig, innemend en intelligent. Ze heeft een verhaal te vertellen en ze móet schrijven. Dat merk je aan haar vlotte woordenstroom die zelfs zonder eraan te schaven de cadans van literatuur bevat. Na deze inleiding die die oorsprong van haar schrijverschap belichtte nam ze de tijd om het verhaal en de personages van haar nieuwe roman uit de doeken te doen. Aan de hand van een twintigtal authentieke foto’s (de lijn tussen fictie en geschiedschrijving is fijn) begon ze in verbazingwekkend vlot en rijk Engels aan een onderbouwde geschiedenisles waarin de ‘dochters van China’, de zussen Soong, de hoofdrol speelden.  

Ook tijdens het interview bleef ze verbazen. Hoe ze terugblikt op het succes van ‘Wilde Zwanen’ wil de interviewer weten. Haar eerste, gevatte antwoord op die vraag zorgde voor een spontaan applaus: ‘I’d like to think it’s a good book.’ Nadien gaf ze te kennen dat dit niet voor haar het moment was om haar eigen succes te analyseren maar dat ‘Wilde zwanen’ uiteraard wel veel deuren voor haar opende.    

Na het interview was het tijd voor een vragenronde. Na een kritische vraag over betrouwbaarheid en historische correctheid wees Jung Chang op het belang van primaire bronnen. Waarheid wordt door deze vrouw hoog in het vaandel gedragen. Niet voor niets bevat ‘Dochters van China’ maar liefst 30 pagina’s noten. ‘Het is jammer dat vele historici in dezelfde val trappen’, aldus Jung Chang. ‘Ze nemen flarden over van secundaire bronnen en verspreiden die op hun beurt opnieuw in een verknipte vorm. Ik heb zelf bergen aan archiefmateriaal doornomen om mijn boek te maken. Telkens ben ik op zoek naar iets nieuws. Als het niet origineel is, hoef ik het niet te vertellen. Er is zoveel te ontginnen, maar je moet de juiste vragen stellen. Ik schrijf mijn boeken niet om te shockeren of the bruuskeren maar ik vind het wel fijn om te geloven dat wat ik schrijf het mentale meubilair van mijn lezers kan herschikken.

Na haar boekvoorstelling nam Jung Chang nog plaats aan een tafel vol stapels van haar boeken. Met plezier signeerde ze romans voor de namen die haar op kleine spiekbriefjes werden toegestopt en met een brede glimlach liet ze zichzelf samen met fans fotograferen.

Met haar nieuwe roman bouwt Jung Chang onverstoorbaar verder aan haar reputatie van de grande dame van de Chinese literatuur.