Als opera’s van de Britse componist Benjamin Britten in zijn thuisland al op de agenda worden geplaatst, dan willen zijn landgenoten dat de producties er goed uit zien. Hoewel het werk van dit genie na zijn dood in de jaren zeventig niet meteen heilig werd verklaard, geniet zijn oeuvre momenteel wel een torenhoge reputatie. Wanneer de English National Opera aan het einde van een mooi seizoen Britten programmeert, mag het dan ook niet verbazen dat men grote namen uit de kast haalt. In 2009 ontmoetten regisseur David Alden en dirigent Edward Gardner elkaar al voor een fel bejubeld ‘Peter Grimes’, misschien wel de beste opera die Britten naliet. Drie jaar later acht het duo de tijd rijp voor een tweede productie. Een oerdegelijk ‘Billy Budd’, een tragedie rondom een goedhartige zeeman, is wat uit de bus kwam.
David Alden is geen revolutionair operamaker. ‘Billy Budd’ speelt zich af op een Engels oorlogsschip anno 1797 en daar kan een regisseur in feite niet omheen. Alden lijkt de handeling te willen verplaatsen naar een hedendaagse olietanker: de kostuums zijn aangepast aan het heden en in de eerste minuten wordt een dozijn olievaten de scène op gerold. Het idee dat de strijd tegen de Fransen verbeeld zou kunnen worden als een gevecht met het kapitalisme en haar afhankelijkheid van de oliemarkt, lijkt dan een plausibele en interessante piste. Alden drijft het concept echter niet door en regisseert de opera traditioneel van begin tot eind. Paul Steinberg ontwierp een functioneel, maar weinig inspirerend decor dat de bij momenten van grootheidswaan zwangere muziek alleen maar onderstreept. Wanneer bijvoorbeeld de achtervolging op de Fransen wordt ingezet, hijst het hele team alle hens aan dek en krijgt de toeschouwer spektakelopera over zich heen.
Goed is dat Alden een evenwicht weet te bewaren tussen de bovenvermelde actie en waar het eigenlijk allemaal om draait: de tragische ter dood veroordeling van stotteraar Billy Budd. Om verkeerde redenen wordt dit personage door zijn overste John Claggart beschuldigd van muiterij, waarbij Billy hem een dodelijke klap toedient. Kapitein Vere staat dan voor de hartverscheurende keuze om ofwel de wet toe te passen en Budd terecht te stellen, ofwel zijn hart te volgen en de goedheid in zijn onderdaan te onderkennen en hem vrij te pleiten. Rond dit moreel dilemma (waarin onderhuids ook homoseksuele spanningen voelbaar zijn) schreef Britten een fantastische opera, waarin de menselijkheid van Billy Budd zich als het ware in zijn vocale partijen laat voelen. Benedict Nelson vertolkt de protagonist met flair, maar is niet de beste Budd denkbaar. Hetzelfde geldt overigens voor de volledige cast: weinig uitschieters, maar een constante kwaliteit die al bij al zorgen voor een aangename opera-ervaring.
Dat Edward Gardner wonderen kan verrichten met de muziek van Britten, is geweten dankzij een magische opname van diens ‘Four sea interludes’ uit ‘Peter Grimes’. Aan het hoofd van het orkest van de English National Opera verzorgde Gardner inderdaad een doorleefde en enthousiaste Britten, met een groot engagement naar het orkest toe. Dat maakte echter de nodige slippers en van onnauwkeurigheden ging hun spel niet gevrijwaard: intonatieproblemen, een wat onzekere klank en glibberig samenspel deden verlangen naar een van Londens meer prestigieuze orkesten onder het podium. Al bij al blijft deze ‘Billy Budd’ er echter één om te koesteren: niet omdat de ENO de partituur naar een hoger niveau tilt, wel omdat de muziek en de plot op zich diep weten te raken.







Reageer