Rock Werchter 2018: de reviews (dag 4)

Novastar (****)

In de vroege voormiddag van de laatste Werchterdag konden we op het hoofdpodium Joost Zweegers en co spotten. Dat het zijn jongensdroom was om hier te staan, zagen we zoals gewoonlijk aan het enthousiasme waarmee Zweegers’ handen en voeten de maat hielden. Veertien jaar geleden stond de man al eens op het festival met een andere bezetting, maar voor deze eerste passage op de Main Stage werd hij bijgestaan door onder andere Das Pop-gitarist Reinhard Vanbergen. Zo’n groep rasmuzikanten is eigenlijk bijna een garantie voor een heel degelijk optreden van de betere poprock. Soms durfden we zelfs riskante vergelijkingen te bedenken, zoals toen de prachtige lapsteel van Vanbergen tijdens ‘Mars needs woman’ herinnerde aan Pink Floyds ‘High hopes’.

Dat ook de rest van het publiek, jong en oud, de pracht hoorde in deze hits – want eigenlijk zijn praktisch alle nummers van Novastar dat stuk voor stuk – bewees de afsluitende meezinger in ‘The best is yet to come’. Post Malone had zijn gitaar nét kapotgeslagen, dus Zweegers’ profetische woorden gingen ongetwijfeld over de oudegardemuziek die we nog tegemoet gingen.

Nao (***)

Eerst was er nog Nao. In dezelfde tent waar we een dag eerder Jorja Smith hoorden, klonk Nao als haar veel enthousiastere zusje met een helaas iets minder aangenaam stemgeluid, maar dan wel echt heel enthousiast. Of zeiden we dat al? Nao opende haar set met ‘Happy’ en dat was ze ook. Bovendien werkte dat enthousiaste geluk bijzonder aanstekelijk, bijvoorbeeld tijdens het funky ‘Get to know ya’ of de ironisch meeslepende stops in ‘Girlfriend’. We hoorden misschien nog niet echt de songs, maar met deze performance kunnen wij ons alvast inbeelden dat we een Angie Stone in spe aan het werk zagen.

David Byrne (*****)

Het beste dat nog ging komen was ongetwijfeld David Byrne. Wie er niet bij kon zijn op de fantastische show op Gent Jazz, kreeg op Werchter een tweede kans om van de theatrale art-pop te genieten. We waren héél even argwanend toen Byrne met een headset op zijn eentje (of ja, met een stel hersenen) aan een tafel zat. ‘De muziek zal toch niet op tape staan zeker?’

Wie het 35 jaar oude maar nog steeds magistrale ‘Stop making sense’ kent, had eigenlijk al kunnen weten dat we nog maar een klein tipje van de grijze sluier zagen. Visueel leek deze show wat op een herwerking daarvan: Byrne droeg zijn kenmerkende grijze pak, net als de band die stuk voor stuk op het podium kwam – tot wel 12 man vanaf ‘Slippery people’. We probeerden ons in te beelden hoeveel uren, dagen, weken, maanden repetitie hieraan voorafgegaan waren om zowel de muziek als de choreo zo strak te krijgen. Voor het klinische podium en de vlotte wissels waren er overigens nergens statieven voorzien, zodat keyboards en trommels aan ieders buik vastgebonden waren en versterkers niet mee op het podium werden gesleurd. Het publiek moest oog hebben voor de band en dat had het ook.

Maar ook onze oren werden af en toe verrast. Hoewel we het na acht nummers wel wat hadden gehad – we hebben meer bewogen bij Byrne dan bij de producers op het festival, maar onze dansbenen worden ook weleens moe – was er hier en daar gelukkig wat afwisseling. Het St. Vincent-nummer ‘I should watch TV’ en het recente ‘I dance like this’ klonken bijvoorbeeld heftig tussen de rest en slaagden erin onze aandacht erbij te houden. Anders deed het kippenvel dat wel.

Nine Inch Nails (****)

Van verrassingen gesproken: we noemen onszelf niet bepaald fan van het studiowerk van Nine Inch Nails, maar live waren we volledig overtuigd. Met brute openingsnummers als ‘Somewhat damaged’ en ‘Wish’ klonk NIN als de betere punk – nochtans ook geen fan van – en zo nu en dan toonden ze hun veelzijdigheid met een welgekomen pianonummer als ‘The frail’. De perfecte balans daarvan hoorden we in ‘Reptile’, waar de band na een smeekbede van Trent Reznor (“Please don’t hurt me”) in geen tijd een ruwe muur optrok. Zo hadden we toch een beetje de Twin Peaks gehoord waar we eerlijkheidshalve voor kwamen. En hoewel ze afsloten met een andere favoriet, het bijna obligatoire en zeer knappe ‘Hurt’, bleef het forse maar zeer precieze geweld ons het meest bij.

Nick Cave

Nog een held van zowel vroeger als nu kregen we met Nick Cave. Vroeger, dat zagen we aan de leeftijd in het publiek en de setlist die voor een groot deel al jaren onveranderd bleef. Nu, dat hoorden we aan de nummers vanop ‘Skeleton tree’ en het gejuich bij ‘Red right hand’. Het publiek was plots aandachtig: “Da’s van de Peaky fokkin’ Blinders!”

Voor het overige deel van het optreden viel het ons op dat veel fans vooral geïnteresseerd waren in het overbekende werk. Maar wanneer mijnheer Cave pakweg ‘Into my arms’ speelde, werden de breekbare toetsen vanuit de verte overstemd door de bassen van Roméo Elvis. We hoorden dat het goed was – ‘Jubilee Street’ klonk overtuigender dan op plaat – maar voor de echte Nick Cave experience is het volgens ons geen overbodige luxe om, we zeggen maar iets, alle teksten te verstaan. Geen quotering vanwege een gebrek aan verstaanbaarheid, maar andere recensenten hadden ongetwijfeld betere plaatsen.

 

Fever Ray (***)

Als afsluiter van het festival volgden we niet de massa richting Arctic Monkeys, maar wel de beats in KluB C. Fever Ray stond daar namelijk te wachten om ons dansend naar huis te sturen, al zou dat niet al te feestelijk gebeuren. Wat we te zien kregen was een show vol bevreemdende tegenstellingen: we zijn er nooit geweest, maar als dit een sm-feestje voorstelde, dan is dat behoorlijk beangstigend en opwindend tegelijk. Karin Dreijer Andersson, volgens haar shirt een spirit switch, was zowel dood als levend, de tweede zangeres zowel man als vrouw en de derde zowel dominatrix als submissive. Ook de instrumenten (drums en synths) werden door twee vrouwen verzorgd, en wij waren blij om voor de verandering eens wat minder testosteron op het podium te zien.

Dat visuele was nodig voor de statements die Andersson met haar handlangsters wilde overbrengen. In de clubby KluB C gingen de songs vanop haar twee albums namelijk nogal verloren, zodat we vooral moesten zíén waar het om draaide. Maar we voelden het gelukkig ook. De opwinding, de warmte – het was gek genoeg nochtans koud in de halflege tent – en de onrustige spanning die een deel van het publiek heftig tekeer en de rest tevreden naar huis deed gaan.