In memoriam - Mark Hollis

De muziekscene verliest een van haar meest inspirerende en illustere figuren

Midden jaren tachtig bestond ons muzikale hoogtepunt van de week uit de uitzendingen van Avro’s Toppop. Ad Visser praatte het boeltje zowat aan mekaar, iets wat hij vandaag nog steeds doet op een heuse roadshow. Toen was dit de enige manier om je wekelijkse dosis popmuziek en videoclips te verorberen. Wij kluisterden ons toen met plezier aan de kathodetelevisie, tot groot ongenoegen van het ouderpaar.

Eind november 1985 was een donkere winterdag. De winterse sfeer die buiten hing werd rechtstreeks vertaald naar een videoclip van drie heren die in het midden van een bos bij nacht en ontij hun ding deden. Vosjes, duizendpoten en merels vluchtten weg van het muzikale geweld, waar een snedige drum, fretless bass en een onvergetelijke pianoriff de dienst uitmaakten. De zanger zat met een zonnebril op de met dauw besprenkelde toetsen te beroeren.

‘Life’s what you make it’ schreeuwde hij niet mis te verstaan.

Die zanger was Mark Hollis.

Na twee succesvolle popplaten met een resem hits die aansloten bij de newromanticstijl van de jaren 80, gooiden Hollis en co op ‘The colour of spring’ het roer om, en creëerden ze zo een van de meest geniale platen van het decennium.

‘The colour’ bevatte een handvol hits, maar evengoed het gefluisterde ‘Cameleon day’ of het prachtige ‘Time it’s time’. Talk Talk klonk in de verste verte niet meer alsof ze nog aansluiting zochten bij de gangbare synthpop die meer en meer een massaproduct leek te worden, en Hollis klonk in zeldzame interviews verveeld met het hele muziekwereldje. Terwijl Limahl en Le Bon over hun kapsels praatten, klonk Hollis in interviews bitter.

‘Popmuzikanten hebben niets te vertellen.’

Daarna gaf hij meestal geen interviews meer.

Hollis zou na ‘The Colour’ nog één Talk Talk-plaat maken die mijlenver van het gangbare af ligt. Het kleinood ‘The Spirit of Eden’ grijpt terug naar de essentie, net als het kleine miertje dat over de pianotoetsen loopt in het openingsshot van ‘Life’s what you make it’. Frêle, breekbare songs die herleid werden tot hun absolute minimum. Dát is ‘The Spirit of Eden’, en meteen Hollis’ afscheid van de muziekindustrie.

De geest van de laatste Talk Talk vinden we nog terug in die ene soloparel die Hollis maakte, simpelweg ‘Mark Hollis’ genaamd.

Spaarzame akkoorden, percussie via de kleppen van een klarinet of een zeldzame overgeblazen fluittoon. Een plaat die je dagenlang in je cd-speler parkeerde op endless repeat.

Toen was het genoeg volgens Hollis. De man verdween uit de spots. De muziek was afgerond, en Hollis had geen enkele intentie om nog een plaat te maken.

Op de eerst UNKLE speelde hij nog -zonder vermelding op de hoes- enkele pianopartijen in, en voor twee platen van de Noorse Anja Gabarek deed hij dat ook. Verder leidde Hollis een rustig familieleven, terwijl zijn albums mythische proporties kregen. Er kwam geen Talk Talk-reünie, terwijl alle leden in diverse projecten actief bleven, onder meer in Rustin Man en O’rang.

Met het heengaan van Hollis verliezen we niet een grote naam, maar een van de allergrootste. De ijdele hoop op een laatste release bergen we op, enkel om het vinyl van ‘The Colour of Spring’ nog een keer uit de platenkast te halen.

Rust zacht, Mark Hollis. We zullen je missen.