In de weegschaal: de ‘Symphonie fantastique’ van Hector Berlioz

Voorbij de gelijkenissen, een landschap aan verschillen

Als dag en nacht

De een is er nog, de ander niet meer. De een volgde de ander op als muziekdirecteur bij het Teatro alla Scala, een positie die van doorslaggevend belang is geweest voor hun beider carrières. Daarnaast hebben ze allebei veel tijd doorgebracht in de Europese hoofdsteden van de klassieke muziek, met name Wenen en Berlijn. En tenslotte hebben ze allebei de aantrekkingskracht gevoeld van de Verenigde Staten. Zo dirigeerden ze elk met grote regelmaat het Chicago Symphony Orchestra, waarvan de een zichzelf op heden zelfs muziekdirecteur mag noemen. Oké, voor wie het nog niet heeft geraden: de nog levende dirigent is Riccardo Muti, zijn overleden collega Claudio Abbado. De landgenoten hebben doorheen hun leven een innige band opgebouwd met Hector Berlioz’ ‘Symphonie fantastique’ – voor operadirigenten uiteraard een uitzonderlijk dankbare partituur. Abbado nam het werk jaren geleden op met het Chicago Symphony Orchestra, Muti deed dat vorig jaar nog. Abbado dirigeerde zijn afscheid bij de Berliner Philharmoniker dan weer met een uitvoering van het werk. Hun interpretaties verschillen als dag en nacht, net als hun persoonlijkheden. Ideaal voer dus voor de weegschaal.

Muziek, mogelijkheid en mentaliteit

Claudio Abbado volgde Herbert von Karajan op als chef van de Berliner Philharmoniker en bracht daarmee een aardverschuiving teweeg binnen het orkest. Van de autoriteit zelve naar de verregaande democratisering van het orkestwezen, dat was voor de musici uiteraard aanpassen. Ondertussen plukt het orkest echter de vruchten van die mentaliteitswijziging. Zo stemmen de muzikanten mee wie hun volgende directeur wordt en realiseren ze projecten in nauwe samenspraak met de directie. Het verschil tussen het klassieke nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker en de prettig gestoorde oudejaarsvariant van de Berliner Philharmoniker spreekt boekdelen. Waar het ene orkest blijft kauwen op traditie, holt het andere nieuwe paden uit. Daarnaast wordt er in de Berlijnse hoofdstad met succes ingezet op het digitaal beschikbaar maken van zowel historische opnames als live concerten. Nergens is het zo vanzelfsprekend om de toekomst aan te raken als in de wandelgangen van de Philharmonie. Dat tal van Europese orkesten op soortgelijke wijze de hand reiken naar een breder publiek via een eigen label, concerten in de publieke ruimte en specifieke programma’s voor kinderen – waaronder de London Symphony Orchestra, het Royal Concertgebouw Orchestra of het Budapest Festival Orchestra – is een teken aan de wand. Klassiek moet mee evolueren met de tijdsgeest. En ondertussen uiteraard getrouw blijven aan de geest van de uitgevoerde werken. Wie veronderstelt dat dat een eenvoudige klus is, heeft het bij het verkeerde eind.

Ook in de Verenigde Staten heeft men ondertussen begrepen dat klassieke muziek actief een plaats moet veroveren in het maatschappelijke veld. De elitaire cocon waar alleen kenners toe konden doordringen, behoort ondertussen tot de verleden tijd. Wat dat betreft is de Chicago Symphony Orchestra Sounds & Stories bijvoorbeeld een fenomenaal project. Op een afzonderlijke website worden in extenso musici, componisten en partituren belicht. Bedoeld als zowel een opstap voor de leek als een mogelijkheid tot verdieping voor de liefhebber, is het een project waarin doorwinterde abonnees en nieuwsgierige beginners elkaar treffen. Met het eigen label CSO Resound probeert het bestuur trouwens zelf in te staan voor de verdeling van haar muziek. Deze onafhankelijkheid genereert uiteraard minder conventionele opties, zoals een album door de blazers van het orkest. Daarnaast zet het orkest echter vooral in op het grote symfonische repertoire, waarin Mahler de laatste jaren een prominente plaats innam.

Non-verbaal verbaliseren

Het programma van Berlioz’ ‘Symphonie fantastique – Épisode de la vie d'un artiste’ is genoegzaam bekend. Een jonge kunstenaars geraakt in de ban van een onbereikbare schone, verliest zijn realiteitsbesef, probeert zichzelf om te brengen met opium en belandt uiteindelijk in het vagevuur van zijn artistieke verbeelding. Wat minder gekend is, is dat de componist later een vervolg schreef, met als bedoeling beide werken zo veel mogelijk naast elkaar te presenteren. Berlioz zelf maakte dat slechts een keer mee, en tegenwoordig is het uitzonderlijk om aan het opus 14 het vervolg ‘Lélio, ou le retour à la vie’ gekoppeld te weten. In Chicago werd de verbinding van beide werken echter gerealiseerd, dankzij dewelke duidelijk wordt hoezeer Berlioz in beslag werd genomen door het idee van een totaalkunst. Is de ‘Symphonie fantastique’ nog de zuiver muzikale poot van het genre-overstijgende project, dan wordt het woord in ‘Lélio’ belangrijker. Berlioz bedient zich immers expliciet van taal, en dat continuüm – vanuit het figuratief-muzikale naar de theatrale dimensie – is fantastisch om te kunnen volgen. Met zomaar even Gérard Depardieu als verteller, weet het publiek zich in ‘Lélio’ alleszins in goede handen. Tenor Mario Zeffiri en bas-bariton Kyle Ketelsen vertolken hun partijen trouwens met een concreet dramatische insteek – een keuze waar Muti als dirigent vermoedelijk voor iets tussen zit.

In zijn ‘Symphonie fantastique’ steekt de dirigent in ieder geval niet weg dat hij erg gefascineerd is door het narratieve dat zich via de muziek ontspint. De openingsmaten van de eerste beweging ‘Rêveries – Passions’ zijn bij hem nog een aanloopje. Abbado verzelfstandigt deze stijgende lijn echter tot een metafoor op het vermogen van muziek om te doen transcenderen. Wie zijn of haar fantasie gebruikt – en in dit werk moet dat ook! – begrijpt dat in deze afbeelding van wat een tonaal systeem eigenlijk is, zich het spanningsveld situeert binnen hetwelke Berlioz zijn revolutionaire verwezenlijking van verbeelding via klank heeft gerealiseerd. Qua magie steekt Abbado zijn landgenoot kortom al vanaf de eerste seconden naar de kroon, hoewel benadrukt moet worden dat ieder voor zich moet zien te achterhalen welke van beide versies de voorkeur geniet. Puur instrumentaal zijn de vertolkingen van de Berliner Philharmoniker en de Chicago Symphony Orchestra immers te vergelijken – zij het misschien met een lichte voorkeur voor de vanzelfsprekende warmbloedigheid van de samenklank van het Berlijnse gezelschap.

Twee telgen van de opera

In ‘Un bal’ kunnen beide dirigenten niet wegstoppen dat ze groot geworden zijn in een operahuis. De weelde van de balscène is simpelweg overdadig, en bij Muti komt de potentie nog meer tot ontplooiing. Van een breekbare kiem van verwonderde ontroering tot het luidkeels bezingen van een onverwoestbaar besef van schoonheid: nog meer dan Abbado trekt Muti hier een duidelijke lijn. De arcadische idylle van ‘Scène aux champs’ – in Chicago ruikt men daar overigens al meteen iets onheilspellends – is op het lijf geschreven van Abbado, die de krijtlijnen uitzet van een aandoenlijke pastorale. De ‘Marche au supplice’ luidt vervolgens de helse ontknoping in, als tocht naar een spreekwoordelijke opknoping. Zo ver komt het echter niet. Waar Abbado hier principieel inzet op de muzikale luister van de brok geweld die Berlioz in dit deel en het volgende (‘Songe d'une nuit du sabbat’) bij elkaar heeft geschreven, laat Muti zich meeslepen door de plot. Abbado veronachtzaamt het droomachtige kader niet, Muti zoomt zodanig in dat het perspectief verloren geraakt. Gevolg is een verschillende afwikkeling: in Chicago integraal gericht op de ervaring van de horror, in Berlijn veeleer op het luisterrijke spectrum van het geheel. Wie houdt van scherpe kantjes, moet dus bij Muti zijn. Bij hem is het alle hens aan dek, om in ‘Lélio’ vervolgens een loutering te construeren. Abbado zoekt daarentegen het evenwicht in de finale zelf. Dat is een moeilijke opgave, maar het werkt. Hij wil niet de pletwals zijn, of toch niet alleen dat. Hij verplettert in een omarming. Hij drukt kapot wat hij liefdevol omarmt. Alweer een mooie metafoor voor Berlioz, die uit liefde de grenzen van de aanvaardbare muziek opzoekt!

Ook de opname van de Berliner Philharmoniker komt overigens niet alleen. Met Mendelssohns ‘Een midzomernachtsdroom’ zoekt Abbado nog eens de verbeelding op. Deze keer komt daar geen terreur aan te pas, want in dit feeërieke opus 61 is het allemaal peis en vree. Hoe Abbado het pittoreske hier komt te overstijgen en tot een wezenlijke definitie van klinkende schoonheid komt, breekt gewoonweg het hart. Dat een man zo oud moet worden om zo goed te begrijpen wat het kind in elke luisteraar vraagt, is ontwapenend. Geen enkele ingreep lijkt gekunsteld, geen enkele noot van sopraan Deborah York en mezzo Stella Doufexis doet artificieel aan. De solisten vertolken bovendien met een sprekend gemak – eigenlijk zoals het alleen in een droom kan. Weg met de kapsones, ogen dicht, en samen een dromerij smeden. Ah, wie een meer ongerepte opname van dit werk kent, mag – nee, moet! – zich melden. Behalve twee cd’s krijgt de melomaan bovendien nog een Blu-ray cadeau met daarop een video-opname van Abbado’s desbetreffende laatste concert met de Berliner Philharmoniker, interviews met orkestleden die herinneringen ophalen aan de man en een uitzonderlijk interessante documentaire over zijn eerste jaar in Berlijn. Een schat aan informatie in een luxueuze en democratisch geprijsde box. Van een droom gesproken…!

Dus…wat zegt de weegschaal?



Een delicaat uitgebalanceerde ‘Symphonie fantastique’, waarin het bucolische en het diabolische elkaar logischerwijs aanraken. Absolute hoogtepunt is echter Mendelssohns ‘Ein Sommernachtstraum’, waarin dirigent, orkest, solisten en koor op vanzelfsprekende wijze collectief een paar hoofdstukken perfectie boetseren. Bovendien uitgegeven in een luxueuze set inclusief fascinerend videomateriaal, of anders gezegd: een droom.
Score: *****
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Lees hier meer over de opname.



Als voormalig muziekdirecteur van La Scala, is Riccardo Muti nog steeds wild van opera. De gekoppelde uitvoering van Berlioz’ ‘Symphonie fantastique’ en ‘Lélio’ is een prikkelende reis doorheen het oeuvre van een componist. Als geheel benaderd laat Muti in Berlioz’ meest opgevoerde werk de teugels van de verbeelding vieren, om ze in de tweede partituur weer aan te spannen. Een intrigerend tweeluik, dat door het Chicago Symphony Orchestra en drie wereldvermaarde solisten puntgaaf wordt opgeluisterd.
Score: ****
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Bekijk hier een aflevering uit de reeks ‘Beyond the score’ over de ‘Symphonie fantastique’. 
Lees hier meer over de opname.