In de weegschaal: de symfonieën van Robert Schumann

Schumann in Britse handen

Bernstein, von Karajan, Harnoncourt, Gardiner, Abbado, Haitink, Von Dohnanyi, Kubelik, Furtwängler, Celibidache, Norrington, Szell en nog tientallen anderen: hoewel de Schumann-symfonieën heden betrekkelijk weinig in de concertzaal te horen zijn, zijn er maar weinig grote dirigenten die zich niet geëngageerd hebben voor deze hoogtepunten uit het symfonische repertoire.

Het grote aanbod staat niet in de weg dat opkomende dirigenten zich vandaag de dag nog steeds proberen te profileren met nieuwe opnames. Canadees Yannick Nézet-Séguin beroept zich daarvoor expliciet op de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk, waarvoor het Britse Chamber Orchestra of Europe een dankbare muzikale compagnon bleek. Concreet vertaalt Nézet-Séguins streven naar een zekere authenticiteit zich in de minimale bezetting van het in Londen gehuisveste kamerorkest, met meer transparantie en een helderder totaalklank als gevolg. Dankzij ‘slechts’ negen eerste violen, evenveel tweede, zes altviolen, vijf celli en vier contrabassen geraken hout- en koperblazers nooit in de verdrukking, zeker niet met een dirigent die zijn solisten expliciet aanmaant om boven het strijkersapparaat uit te priemen.

Ook de in Londen geboren Robin Ticciati, die voor zijn cyclus in zee ging met het Scottisch Chamber Orchestra (dat hem al een aantal jaar als chef in loondienst houdt), koos overigens voor een soortgelijk, eerder dun gezaaid strijkersapparaat. Dit resulteert evenzeer in lezingen waar houten en kopers organisch in het bed van strijkers kunnen opgaan. De meest geanticipeerde opname was echter die van de Berliner Philharmoniker, dat binnenkort een nieuwe chef zal aanstellen. Momenteel staat Sir Simon Rattle nog steeds aan het hoofd. Net als zijn twee collega's keert ook hij de symfonische overdaad die in het verleden het esthetisch ideaal uitmaakte, expliciet de rug toe. Zonder dogmatisch historisch accurate uitvoeringen na te streven, stelt hij ideëel een idiomatische lichtheid, zwier en transparantie voorop die perfect passen binnen een 19e-eeuws kader.

Legt de liefhebber nu deze drie cycli in de weegschaal, dan stelt zich de vraag naar welke kant de balans overhelt. Cutting Edge neemt de proef op de som.

Opnamekwaliteit

Opnametechnisch is Nézet-Séguins opname voor Deutsche Grammophon erg aantrekkelijk. Hoewel het om live-uitvoeringen gaat, zijn de verschillende instrumentale geledingen uitstekend in evenwicht, terwijl storende bijgeluiden tot een absoluut minimum beperkt blijven. In de mix zitten de strijkers, hoewel beperkt in aantal, het meest naar voor. Hun krokante, zelfs cassante aanpak, waarmee Nézet-Séguin deze 19e-eeuwse werken als het ware naar een 18e-eeuwse context transponeert, is hoorbaar tot in de fijnste details. Zoals gezegd laat de dirigent daar niet zelden houten en koperblazers overheen schuren. Soms zitten ze heilzaam onder de strijkers gemoffeld, maar wanneer Nézet-Séguin naar een spannender register overschakelt, manifesteren ook de blazers zich in de onmiddellijke nabijheid van microfoons, en dus van de trommelvliezen. Toch laat de opname ook ruimte voor de architecturale totaalbeleving van de symfonieën: de tutti’s zijn geen onaangename overrompeling, maar blijven, hoe exuberant de dirigent ze soms ook voortstuwt, harmonisch afgesteld.

Voor de versie van Ticciati is dat laatste niet minder het geval. Nadeel is alleen dat het de opname veel meer aan dieptewerking ontbreekt. De vier symfonieën lijken zich ergens in de verte te voltrekken, in een zeer homogeen register. Wetende dat label Linn zich dikwijls van de concurrentie weet te onderscheiden met een zorgvuldig afgewogen kleurenpalet, geven deze symfonieën net de omgekeerde indruk: alsof de hele registratie in een mum van tijd moest gebeuren. Nochtans werd er zes dagen lang in studio-omstandigheden geregistreerd. Kortom, de klankmatige uniformiteit getuigt van een zekere onzorgvuldigheid.

Rattles opname voor het huislabel van de Berliner Philharmoniker, dat eigenlijk nog maar pas bestaat, kan zich kwalitatief zeker meten met die van Nézet-Séguin. Ook hier gaat het om live-opnames, waar storende elementen volledig uit zijn gewist. De dirigent streeft overigens uitdrukkelijk naar een verregaande emancipatie van de houten, waarvoor de technici op zoek moesten naar een gebalanceerd totaalgeluid waarin de warmbloedige fond van de, zeg gerust legendarische, strijkersectie van het orkest geen belemmering mocht vormen voor klarinet, hobo, fluit en fagot. Het resultaat van de zoektocht benadert de perfectie: de transparantie, die voor Rattle een kernwoord is binnen zijn artistieke filosofie, mag zonder verpinken onverbeterlijk genoemd worden. Overigens heeft de cyclus ook een geweldig dynamisch bereik, wat toelaat dat de melomaan de hoogtes en laagtes - de bergen en de dalen van Schumanns schriftuur - aan den lijve ondervindt. Tenslotte kan de luisteraar zelfs genieten van de niet-gecomprimeerde studio-opnames zelf, die via de bijgevoegde blu-ray te beluisteren zijn. Dat heet dan 'op z'n wenken bediend worden'...

Interpretatie

Voor wie Rattles en Nézet-Séguins nummering, met de eerste en de vierde symfonie gecombineerd op de eerste van twee cd’s, contra-intuïtief vindt: de gangbare vierde symfonie is eigenlijk een herwerking van een partituur die Schumann kort na de voltooiing van zijn eerste symfonie schreef. Het is de oorspronkelijkheid van de eerste editie, die in 1841 werd voltooid, die Rattle prefereert. Deze zelden opgenomen 'oertekst', is wat energetischer, doch ook lichter dan de versie die de componist later autoriseerde. Nézet-Séguin kiest voor de definitieve versie uit 1851, net als Ticciati. Uiteindelijk zijn beide keuzes echter verdedigbaar. Wetende dat Schumann het werk reviseerde omdat het bij de première sterk onder vuur had gelegen, hoeft immers niet te betekenen dat hij er heilig van overtuigd was dat zijn eerste visie werkelijk tekort schoot.

De eerste symfonie kreeg van Schumann de ondertitel 'Frühlingssymphonie'. Het is de energie van de lente die Rattle poëtisch verbindt met het meer abstracte idee van ontluiken en ontwikkelen. In meer filosofisch opzicht verwijst de titel trouwens ook naar de componist, die in de lente van zijn carrière de stap zette van quasi uitsluitend pianoliteratuur naar het genre van de symfonie. Voor Schumann markeert deze overstap een worp naar bekendheid en naar het grote publiek. Dat grote publiek maakt iemand echter ook kwetsbaarder, wat de componist in 1841 – dat begon met lovende kritieken op zijn eerste symfonie – ervoer toen zijn tweede aan het eind van datzelfde jaar op weinig bijval kon rekenen.

In Rattless fantastische benadering ontmoeten de visies van Nézet-Séguin en Ticciati elkaar. Het openingsdeel – met een sacrale opening van het soort dat bij Mahler een halve eeuw later terugkeert – draagt bij hem zowel het ontluiken als de vervulling in zich, alsof de natuur 'nog moet worden' en tegelijk al is'. Nézet-Séguin ent zich vooral op dat eerste aspect: hij legt actie en beweging bloot, zoekt en vindt handeling, zonder dat deze zich concreet laat raden. Gevolg is een weliswaar spannende uitvoering, maar ze holt zichzelf wat uit, precies omdat de Canadees zo gretig graaft naar onrust en naar exaltatie. Het discours van zijn lezing is opwindend en de larghetto neemt bij hem erg aangrijpende proporties aan. De tegenpool, die Rattle wel incorporeert, ontbreekt echter. Bij Ticciati zitten de houtblazers, die Moeder Natuur uit haar diepe winterslaap wakker maakt, nogal ver weg in de mix. Nobele strijkers, die zich in het scherzo juist van hun meest vinnige kant laten zien, compenseren voor de houten die, alsof ze in een bunker zitten, te ver weg klinken. Nochtans slaagt ook Ticciati er in een heerlijk culminatiepunt te bereiken, waarbij zijn aandacht voor de ritmische vindingrijkheid van Schumann – die reeds in het eerste deel aan de oppervlakte komt – te bewaken.

De vierde symfonie (eigenlijk de tweede) probeert Rattle te ontleden als een raamwerk van impulsen en emoties. Excelleert hij in de eerste symfonie door zijn bezadigde, schijnbaar alwetende synthese van 'worden' en 'zijn', dan is zijn lezing van de vierde helemaal gericht op het 'zijn'. In vier muzikale clusters – die samen de puzzel van de romantische beleving van de eenzame held die de natuur trotseert uitmaken – wekt hij voortdurend verwondering. De zachte hand waarmee hij het orkest stuurt en tegelijk de muziek bovenal laat bestaan: het getuigt zowel van een meesterlijk doorzicht in de partituur als van een diepe verbondenheid met de orkestleden. Dat hij kiest voor de oorspronkelijke versie, heeft alles te maken met de onmiddellijkheid ervan. Het compositorisch vernuft waarmee Schumann zijn partituur later bijkleurde, droeg immers niet bij tot de haast primitieve intensiteit van de beleving, zoals die uit de editie anno 1841 naar voor komt.

Ook Ticciati streeft in de vierde naar een ongecompliceerde hoedanigheid. Zoals altijd is verheven edelmoed ook nu een streefdoel, zelfs wanneer hij de celli in het scherzo als een wervelwind te keer laat gaan. De melancholie van de romance wordt door hem overigens zorgvuldig gesoigneerd, zodanig dat ze de adem beneemt. Precies in dit deel toont Nézet-Séguin zich dan weer als iemand die zodanig interpreteert dat de overdaad om de hoek komt gluren. Geweldig en gewelddadig: het zijn twee woorden die in zijn optiek dicht bij elkaar liggen. Zonder de muziek echt geweld aan te doen, is het wel zo dat hij zich onverschrokken op de partituur werpt. Het 'lebhaft' waarmee het werk op haar einde afstormt, neemt hij ter harte. Er zijn momenten van vervulling, maar ook van verstikking. Minnekozen en zich vergrijpen aan, de man doet het allebei.

Een maatstaf om het opus 61, kortom de tweede symfonie, te beoordelen, is de plaats die het hartroerende adagio espressivo inneemt. Bij Rattle verwordt het niet tot het hart van de symfonie, wel plaatst hij de espirt van de omringende delen in contrast met dit zwaartepunt van melancholie binnen Schumanns oeuvre. Alweer probeert de dirigent de Berliner Philharmoniker te bewegen tot een uitvoering waarin gevoelsmatige extremen niet in hun tegengestelde hoedanigheid blijven bestaan, maar naar elkaar toe komen. Misschien toont zich dat nog het mooist in het van droefenis doortrokken adagio, waarin de tristesse van de dialoog tussen hobo en fagot tegelijk een hoopgevende kiem uitdraagt. Helemaal anders dan 'die Melancholie des Unvermögens' – woorden die Nietzsche op de muziek van Brahms kleefde – ruikt het ineens naar schoonheid die leven geeft, naar het stuifmeel van het briljante, naar de nectar van het genie. Grandioos is precies dat de Berliner Philharmoniker zich niet in dit bastion van tranerigheid verliest, maar de krop in de keel tot wegslikbare proporties herleidt. Als dat niet Schumanns bedoeling zou geweest zijn, had er dan een allegro molto vivace op het deel kunnen volgen?

Hoewel Ticciati ongeveer even lang doet over het adagio, raakt zijn lezing veel minder aan het tijdloze. De strijkers van het Scottish Chamber Orchestra torsen het gewicht van de weemoed niet uitdrukkelijk genoeg. Het is eerder in de overige delen dat de dirigent zijn troeven weet uit te spelen. Een ritmisch tierlantijntje in het scherzo wordt bij hem tot een waar leidmotief dat identiteit krijgt. Het slotdeel bouwt overigens op tot een bevrijdende eruptie, hetgeen ook Nézet-Séguin betracht. Zijn lezing is in zijn totaliteit iets teveel vanuit de strijkers gedacht, waardoor zijn weliswaar zinderende aanpak binnen een nogal monochroom palet blijft. De elektriserende sprankeling die hij in de eerste twee delen bereikt is overigens bewonderenswaardig, maar aan het (wat sneller gespeelde) adagio voegt Nézet-Séguin te veel toe. Er is een uitdrukkelijk wil om het ballet van noten tot een choreografisch wonder te maken. Alle emotie zit echter in de parituur – vertolken is in dit geval het enige dat een dirigent kan doen.

Doorheen de derde symfonie, bijgenaamd de 'Rheinische', lijkt Nézet-Séguin al Schumanns suïcidepoging van een aantal jaar later, tijdens dewelke hij zich probeerde te verdrinken in de Rijn, te voorvoelen. Pathos beheerst het vijfdelige epische gedicht, daar waar Ticciati er beter in slaagt het tragische aan het majesteitelijke te koppelen, het drama aan de trots. Schumann was er niet de componist naar om enkel leed te willen cultiveren en dat heeft de jonge Brit goed begrepen. Elk deel krijgt van hem een andere allure aangemeten, zonder de karakters uit te vergroten. In het 'lebhaft' waarmee de symfonie eindigt, respecteert Ticciati echter de donkere voetnoot, de wolken die zich reeds in de psyche van de componist aan het vormen zijn. Benadert Nézet-Séguin de finale als een epiloog waar de hele symfonie naartoe zou werken, dan is het bij Ticciati een afzonderlijk hoofdstuk. Door die keuze blikt de luisteraar op een veel evenwichtiger manier terug op het hele werk.

Rattle gaat eveneens met de individuele bewegingen aan de slag, waarbij magisch genoeg toch een overkoepelende boog wordt gespannen. De gemoedsbuitelingen zijn er reeds in het eerste deel: de Berliner eist meteen de aandacht op, om die in het half uur dat deze symfonie bestrijkt, nooit meer los te laten. Weergaloos is hoe Rattle zelfs de kleinste franjes in de houten tot bouwstenen van de symfonische totaalervaring laat verworden: geen schakering van het werk laat hij onbenut. De derde wordt bij Rattle de meest voldragen van de vier: is de energetische volheid van het scherzo een vulkaan die op uitbarsten staat, dan glimlacht de dirigent om het statig-aristocratische van het middelste deel, dat hij met onmetelijk veel liefde in een kleinood omzet.

Dus...wat zegt de weegschaal?

Sir Simon Rattle & Berliner Philharmoniker

De opname van Sir Simon Rattle en de Berliner Philharmoniker is verschenen bij Berliner Philharmoniker Recordings. De uitgave is een lust voor het oog en binnenin de stoffen omslag vindt de liefhebber behalve twee cd's nog een blu-ray met interessante extra's.
Score:
*****
In één zin: Zinderende uitvoeringen door misschien wel 's werelds beste orkest, aangevoerd door een visionair die met uitgesproken keuzes de lyrische karakters van Schumanns onvolprezen symfonieën dient.
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Beluister hier (een gedeelte van) de opname.

Yannick Nézet-Séguin & Chamber Orchestra of Europe

De opname van Yannick Nézet-Séguin en het Chamber Orchestra of Europe is verschenen bij Deutsche Grammophon (distributie: Universal Music).
Score: ***
In één zin: Bevlogen interpretaties met een sterk historisch bewustzijn, waarbij de dirigent echter dikwijls te nadrukkelijk opwinding en beroering nastreeft.
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Beluister de integrale opname via Deezer.

Robin Ticciati & Scottish Chamber Orchestra

De opname van Robin Ticciati en het Scottish Chamber Orchestra is verschenen bij Linn Records (distributie: Outhere).
Score: ***
In één zin: Intelligente en evenwichtige uitvoeringen waarin Ticciati vooral de hooggestemde edelmoed van Schumanns schriftuur opzoekt en minder de epische volheid ervan in de verf zet.
Bekijk hier een introductie tot de opname
Beluister hier (een gedeelte van) de opname.