In de weegschaal: de symfonieën van Jean Sibelius

De warme gloed van een zevenvoud aan ijslandschappen

Jean wie?

Tot het invoeren van de euro sierde zijn portret de briefjes van honderd Finse mark. De 8ste december, zijn verjaardag, wordt in zijn thuisland tot op vandaag trouwens herdacht als “dag van de muziek”. Jazeker, Jean Sibelius was en is nog altijd een nationale held, iemand waarover wordt beweerd dat hij met louter zijn muziek heeft bijgedragen tot het ontwikkelen van wat de Finnen vandaag als hun identiteit beschouwen – hij was het die een onbestemd gevoel van gemeenschap een gezicht heeft gegeven, via het contour van de pentekeningen van zijn muziek. Aan het begin van de 20ste eeuw speelde Sibelius dan ook een belangrijke rol naarmate Rusland zijn greep op het Scandinavische vasteland probeerde te versterken. De componist zou, vanuit historisch perspectief bekeken, dus een instrument geweest zijn via hetwelke het Finse volk zich autonoom kon profileren tegenover het Russische kunstwezen, dat tot dan toe beduidend meer wonderen had weten voort te brengen.

Behalve het toondicht ‘Finlandia’, het legendarische vioolconcerto en de melancholische ‘Valse triste’ staat Sibelius heden ten dage ook bekend om zijn zeven symfonieën. Die voltooide hij op 25 jaar tijd, waarna een ruim 30 jaar durende stilte intrad. De man heeft geprobeerd een achtste geesteskind aan de spraakmakende serie toe te voegen, maar is daar nooit in geslaagd. Het bleef bij pogingen, trouwens ook voor wat andere vormen betreft. Geplaagd door toenemende drankzucht en de daaruit voortvloeiende gezondheidsproblemen, kon de late Sibelius het genie van zijn (relatief) jonge jaren nooit meer evenaren. Toch heeft de man over het bestek van twee en een half decennia een belangrijk parcours afgelegd, vanuit de traditie van de laat-romantiek richting nieuwe horizonten. De Fin heeft in zijn eentje nooit grote tonale omwentelingen veroorzaakt of in gang gezet, maar in zijn oeuvre weerspiegelt zich op zijn minst een bewustzijn van wat toen gangbaar was op het internationale muzikale platform. Net het feit dat Sibelius deze tendensen waarnam en voorzichtig integreerde in zijn eigen taal, zonder zijn persoonlijke signatuur ooit te verraden, maakt zijn symfonische repertoire vandaag op een verrassende manier divers en coherent tegelijk.

Wanneer het om Sibelius’ orkestwerken gaat spreken musicologen maar al te graag over een zogenaamde “Finse toets”, waarmee een stilistisch aanvoelen bedoeld wordt dat als onmiskenbaar Scandinavisch wordt ervaren. Toch is het niet helemaal duidelijk hoe het hoge Noorden, dat tallozen in de symfonieën menen terug te vinden, zich in dit oeuvre manifesteert. Er zijn weliswaar constanten voor wat betreft de behandeling van tonaliteit, van de manier waarop harmonie zich verhoudt tot melodie en van wederkerigheid van bepaalde cellen (natuurlijk zonder daarom een uitgesproken cyclische structuur te vertonen), maar de rationele elementen die het individu gevoelsmatig onmiddellijk associeert met het cliché van ongerepte bossen, verlatenheid, de summiere geluiden van een winters landschap en ga zo maar door, zijn niet ten volle opgehelderd.

De analyse van wat Sibelius nu eigenlijk tot Sibelius maakt, is echter van geen enkel belang wanneer het gaat om de hoofdzaak, met name: ontroerd worden door zijn werk. De overweldiging, maar ook de tederheid en de verwondering: ze zitten als rode draden in parallelschikking door zijn symfonische oeuvre geweven. Kortom, overal is er de overstijgende kracht die de luisteraar aan de natuur kan toeschrijven, en overal zijn er de subtiliteiten die de partituren naar mensenmaat vertalen. Als er iets is dat over Sibelius’ zeven zo verschillende hersenspinsels kan gezegd worden, dan is het wel dat ze van een evenwicht getuigen dat vanuit de ratio moet zijn ontstaan, hoezeer emotionele spontaniteit ook lijkt te grossieren in deze werken.

Iedereen tegelijk?

In het voorbije jaar werd Sibelius uitgebreid herdacht omdat hij precies 150 jaar geleden werd geboren. Dat was niet alleen te merken in concertzalen wereldwijd, want ook de cd-industrie deed een duit in het zakje. Bernsteins opnames van ’s mans symfonische oeuvre met de New York Philharmonic werd door Sony geremastered en uitgegeven, Okko Kamu knutselde een nieuwe integrale in elkaar voor BIS als aanvoerder van het Lahti Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker kwam met een live-opname van alle symfonieën op de proppen geleid door chefdirigent Sir Simon Rattle, John Storgårds reikte de hand naar de BBC Philharmonic met drie cd’s Fins erfgoed als resultante en Decca snuisterde in de eigen archieven om met een eveneens geremasterde versie van Lorin Maazels samenwerking met de Wiener Philharmoniker uit de jaren ’60 naar buiten te komen.

Binnen die rits nieuwigheden, waarvan de volledige lijst trouwens nog veel langer is, zijn de drie laatste allicht de interessantste. Van alle historische (integrale) opnames geniet die van Maazel immers het meest aanzien, staat die van de Finse dirigent Storgårds het dichtst bij de eigen leefwereld van de componist en lieten Sir Simon Rattle’s interpretaties volgens de vakpers een uitzonderlijk begeesterend licht schijnen op de werken. Voor de Brit was het echter geen sinecure zijn vorige cyclus aan het hoofd van het City of Birmingham Orchestra te overtreffen. Oorspronkelijk werden die cd’s door een select publiek opgepikt, omdat de dirigent toen nog niet de bekendheid genoot die hem inmiddels wel te beurt is gevallen. Bij de heruitgave van de complete set in 2007 bij EMI, gingen echter al meer stemmen op die Rattle’s verwezenlijking beschouwden als zijnde van een uitzonderlijk niveau. Desalniettemin lag een nieuwe editie van alle symfonieën in Berlijn vermoedelijk niet zo gemakkelijk, precies omdat de dirigent zich al met Sibelius had geprofileerd én omdat Herbert von Karajan zijn blijvende stempel op het repertoire van de Fin heeft gedrukt, met opnames die vandaag nog altijd het statuut genieten heilig te zijn. Sir Simon Rattle trok zich daar echter niets van aan, evenmin als de musici van de Berliner. Zij musiceerden een ongewoon subtiele cyclus bij elkaar, een die het in ieder geval niet louter moet hebben van het grote gebaar.

Drie keer twee maakt…het bewijs van onsterfelijkheid?

De tweede symfonie, een waar publiekslieveling, is een uitstekend uitgangspunt om het vergelijken te beginnen. Bij Maazel valt vanaf de eerste beweging al op hoezeer hij de partituur ontleedt als een lappendeken van afzonderlijke entiteiten. Als een puzzel lijkt de symfonie oorspronkelijk een losmazig weefsel, waarbij coherentie zich hoe langer hoe duidelijker aftekent. Maazel bouwt evenwel bijzonder geduldig op en over ruim veertig minuten tijd zet hij een duidelijke expansie op poten. De bijna bevreemdende pluraliteit van het openingsdeel verwordt aan het slot tot een volmaakt samenhangend geheel, dat de dirigent transparant en met nadrukkelijke aandacht voor de algehele balans construeert. De opnamekwaliteit is uiteraard niet superieur, maar dankzij de geremasterde versie – in de box wordt bovendien een blu-ray met het ‘pure audio’-formaat van alle tracks meegeleverd – kan de luisteraar zich bij wijze van spreken vergapen aan een duizelingwekkende solistische kwaliteit.

De sonoriteit van de strijkers, de hoorns en de hele sectie houten wordt geëvenaard bij de Berliner Philharmoniker, waar de tweede symfonie eveneens een secuur in elkaar gestoken geheel construeert. Rattle karakteriseert de kleinste details met grote nauwkeurigheid, waardoor behalve de opzienbarende macrostructuur ook een fenomenale microstructuur ontstaat. Deze gelaagdheid maakt het werk, hoeveel bekendheid het tegenwoordig ook geniet, tot een blijvende ontdekking. Helemaal hapklaar laat Rattle dit illustere hoogtepunt uit Sibelius’ oeuvre nooit worden, wat ook niet hoeft. In verhouding is Maazels visie hoe dan ook wat eenvoudiger, zij het daarom niet minder beroerend.

Storgårds trekt daarentegen een meer filmische kaart. Zijn interpretatie probeert op elk moment toegankelijk te zijn, en slaagt daar ook in. Wie Rattle’s hang naar het ontleden van elke noot te intellectueel vindt en wie zich bij Maazel niet helemaal op zijn gemak voelt omwille van de fragmentatie van het melodisch materiaal in het eerste deel, is bij Storgårds aan het juiste adres. De Fin windt geen doekjes om de rijkdom van Sibelius’ onmiddellijk aanslaande taal. Voor hem is ze als een tweede natuur, en zo vertolkt hij het werk ook. Vanuit de buik, vanuit het gevoel: het opus 42 is bij hem een vanzelfsprekend lofzang. Misschien wel te vanzelfsprekend voor wie houdt van Maazels mysterieuze dramaturgie of Rattle’s veelzijdige dissectie. Kortom voorlopig bieden de drie opnames voor elk wat wils. En ze zijn een proeve van Sibelius’ onsterfelijkheid, want hoezeer deze drie interpretaties ook verschillen, ze raken stuk voor stuk ook aan esthetische essenties.

De vijfde

Storgårds kiest anders dan Rattle voor een niet-chronologische ordening, waarbij hij de tweede symfonie naast de vijfde plaatst. Na de tweede is dat vermoedelijk de bekendste, hetgeen ze te danken heeft aan haar al bij al doorzichtige architectuur en de kwaliteit van het lyrische materiaal waarmee Sibelius aan de slag gaat. Als Storgårds in de tweede streeft naar continue deining, dan is zijn lezing van de vijfde veel meer bezadigd. De kiemen van de eerste twee bewegingen liggen eerder op solistisch niveau, maar die individuele cellen als volwaardige ingrediënten presenteren, doet de dirigent eigenlijk niet. Het is daarom wachten tot het materiaal middels de partituur tot wasdom komt, vooraleer het BBC Philharmonic het stuk werkelijk leven in blaast. Op de stuk voor stuk excellente instrumentalisten valt overigens niets aan te merken, alleen sleept Storgårds zich wat te langzaam naar een intens en interessant parcours. In vergelijking komen Maazel en Rattle veel sneller op verhaal.

Bij Rattle en de Berliner Philharmoniker heeft elke wending in de muziek een betekenis op zichzelf, kortom in tegenstelling tot wat Storgårds doet (namelijk dat wat zich in de partituur voltrekt betekenis geven in het aanschijn van de volledige partituur, wat betekent dat er passages zijn waarvan de waarde alleen tot de luisteraar doordringt als die de totaliteit van de symfonie kent en beschouwt), is de muzikale dramaturgie bij Rattle alomtegenwoordig. Dat betekent uiteraard niet dat bijvoorbeeld de vijfde zonder boog wordt benaderd, integendeel. Zoals gezegd heeft Rattle, zoals alle topdirigenten, oog en oor voor de macrostructuur. Zijn grootste troef is precies dat ook de microstructuren aan bod komen, en met bijzonder veel reliëf worden gekarakteriseerd. Dat levert een melancholieke maar nooit tranerige uppercut op in het laatste deel. Bovendien durft Rattle met snellere tempi werken, een gegeven waarmee hij ook succes oogst. De bijwijlen monumentale wijze waarop Sibelius het orkestapparaat gebruikt, verdwijnt op die manier naar de achtergrond. Er ontstaat zelfs ruimte voor haast kamermuzikale intimiteit, die in de eerste beweging bijvoorbeeld aan bod komt.

Bij Maazel is er in de vijfde symfonie een waas van mysterie. De heel eigen manier waarop Sibelius het woord ‘lyriek’ heeft begrepen, voelt de dirigent niet alleen perfect aan, maar weet hij ook op een bijzonder nauwkeurige manier uit het symfonische geheel op te lichten. Verwondering komt er bij Maazel als vanzelf, evenals spanning. Zo wordt het eerste deel al na een viertal minuten bijna ondragelijk spannend, omdat de strijkers dreigend blijven aanzwellen en onaardse houten tegen de muur van schallende kopers blijven aanlopen. De Wiener Philharmoniker geeft niet meteen prijs wat het in deze partituur precies aan het construeren is, maar de luisteraar kan niet ontsnappen aan het idee dat er iets aan het broeden is. Ook hier zijn redelijk snelle tempi trouwens een sleutelwoord – het meer bezadigde van Storgårds werkt kortom minder goed. Naast Rattle is Maazel trouwens een minder discreet regisseur. Nadrukkelijkheid hoeft echter niet altijd als nefast te worden ervaren, want hoewel wijlen de Amerikaanse dirigent nog sneller afklokt dan zijn Britse collega, mag het een prestatie heten dat het nekvel tijdens de ganse uitvoering stokstijf overeind blijft staan. En wie denkt dat hier sprake is van een overdrijving, mag stante pede naar de dichtstbijzijnde platenhandel om Maazels integrale te bestellen.

Het late werk

De premières van de vijfde en de zesde symfonie liggen ongeveer acht jaar uit elkaar. Dat lijkt een peulenschil voor een componist die uiteindelijk de kaap van 91 zou overschrijden, maar zoals gezegd bleef het decennia stil rond Sibelius, tot hij in 1957 zijn laatste adem uitblies. Daarnaast barstte er na de Eerste Wereldoorlog een moderniteit los die ook tot in Finland voelbaar moet geweest zijn. De muziek zoals men die altijd gekend had, tonaal of niet, kwam plots op de helling te staan. Bepaalde componisten kondigden zelfs het einde van de symfonie af, ook al zat onvoorwaardelijk pleitbezorger Gustav Mahler nog geen tien jaar onder de grond. Voor Sibelius was dit kortom een periode waarin hij zijn symfonische taal zelf in vraag stelde. De partituren die hij in de jaren ’20 voortbracht, vertonen dan ook een grotere densiteit. Niet toevallig is de zevende overigens volledig doorgecomponeerd – de grens tussen toondicht en symfonie komt met name te vervagen in dit werk dat primair welomlijnde atmosferen evoceert. De meer hyperkinetische zesde is dan weer uitzonderlijk compact geconcipieerd en behoort samen met de derde en de vierde tot de kneusjes onder Sibelius’ symfonieën – voor zover daar kneusjes tussen zitten uiteraard.

In de zesde symfonie slaagt Maazel er goed in om de bijna kubistische klanksculptuur zonder inhoudelijke tegenstrijdigheden te presenteren. Storgårds neemt integendeel meer tijd. Hij mikt niet louter op de scherpe texturen van het werk en zijn analyse mondt uit in een versie die vol zit van de boeiende prikkels. Toch slabakt de Fin op den duur een beetje, iets waaraan Rattle dan wel weer feilloos ontsnapt. De broosheid van diens fraseringen, die oneindig veel fragieler zijn dan die bij het BBC Philharmonic, maken alleen al de introductie tot een adembenemende ervaring. De eenzame schittering van fluit en hobo, waar de celli een tragische verzuchting tegenover plaatsen: dit is volmaakt musiceren! De tensie van drama waar hoop doorheen schemert, houdt Rattle overigens bijna een half uur lang vol. Van intieme dialogen, speelse invallen en vindingrijke interrupties naar brede klankvelden, kosmische erupties en metafysische verlatenheid: de Berliner Philharmoniker laat de zesde symfonie op geen enkel moment verworden tot tweederangs.

Idem dito voor de zevende. De veelheid aan typeringen die zich hierin aandienen, maken onmiddellijk manifest dat het een onwaarschijnlijk geïnspireerd werk is. Bij herhaalde luisterbeurten, wordt die indruk enkel versterkt, omdat de polyfone schriftuur van bepaalde passages dan pas aandachtig kan beluisterd worden. Ook Storgårds maakt van Sibelius’ laatste symfonie trouwens een heus avontuur, al is de interpretatie bij hem wat minder vanzelfsprekend dan bij Rattle. Onder zijn leidende hand zal ook de leek kunnen meestappen in het werk, dat quasi programmatisch lijkt te worden. Voortdurend is de BBC Philharmonic aan het uitbeelden – wat sceptici dan weer een aanslag op het autonome bestaan van het stuk zouden kunnen noemen. Bij Maazel is het tenslotte eerder het grote gebaar dat naar de voorgrond komt. Eens te meer zuigt hij de toehoorder met een efficiënt in elkaar gestoken lezing binnen in een aparte wereld. Dat het vooral pathetiek is die op die manier hoorbaar wordt, is geen echt euvel. Want wie kan weerstaan aan deze koortsige, o zo doorwrochte aanpak?

Een niet oninteressant verschil tussen de drie uitgaves zit hem trouwens in de extra’s. Storgårds koos voor ‘Three late fragments’, een verzameling schetsen die tot de achtste symfonie hadden moeten leiden. Dat Sibelius zelf zijn aanzet tot nog een achtste heeft verwoest, betekent evenwel dat er vraagtekens kunnen geplaatst worden bij het zomaar vrijgeven van deze probeersels. De Maazel-integrale gaat dan weer vergezeld van de ‘Karelia suite’ opus 11 en ‘Tapiola’ opus 112. Is de korte suite een ruiker van behendig herwerkte folklore, dan is ‘Tapiola’ bijna een symfonisch zwanenzang. De Wiener Philharmoniker bijt zich trouwens zodanig vast in dit late opusnummer, dat hun uitvoering – als allerlaatste nummer – neerkomt op een ongenadige mokerslag, waarbij de luisteraar voelt dat Sibelius’ taal tegen haar eigen grenzen begint op te boksen.

Vrieskou en het fin de siècle

Blijven tenslotte nog over: symfonieën één, drie en vier. Daarvan is de derde zonder discussie de minst opgevoerde. Dat de Berliner Philharmoniker pas in 2010 tot een eerste uitvoering ervan kwam, zegt alles. Als het werk tegenwoordig al wordt opgenomen, dan is het in combinatie met andere orkestliteratuur van Sibelius. Met andere woorden: mag er besloten worden dat het om een te verwaarlozen miskleun gaat, die enkel en alleen voor de volledigheid op cd staat? Onder geen beding! De chronologische ordening bij Rattle laat immers toe de partituur te appreciëren als een fundamentele schakel richting meer eigenheid, waarbij wordt onderzocht hoe melodie als hoogste goed – zoals deze parameter in de tweede symfonie wordt gepropageerd – kan worden verlaten. De Berliner Philharmoniker illustreert bovendien dat zij in hun uitvoering voorbij deze zoektocht geraakt, en schoonheid vindt in een minder voor de hand liggende gedaante. Ook Storgårds haalt een en ander uit het werk. Geduldig als altijd, resulteert zijn gesofisticeerde blik deze keer in een regenboog aan kleuren. Hij vermenigvuldigt de input zodanig dat er een waarlijk intrigerend werkstuk overblijft. Maazel trapt tenslotte evenmin in de val van routineus de klus klaren. Hoewel niet de meest zinderende van de set, wordt deze symfonie in zijn handen veel meer dan een kabbelend beekje van doordeweekse inspiratie.

De eerste symfonie is dan weer een soort beginselverklaring van wat uiteindelijk Sibelius’ symfonische catalogus zou worden. De vrieskou van het hoge Noorden is er in te horen, net als het fin de siècle dat de signatuur van dit opus 39 onmiskenbaar mee heeft bepaald. In vergelijking lijkt de ‘Karelia suite’, die eigenlijk maar goed een half decennium eerder werd gecomponeerd, uit een andere tijd te stammen, toen een haast onbekommerde idylle nog mogelijkheid leek. Dat type naïef-vreugdevolle uitlatingen keert eenmaal Sibelius zijn eerste worp op de wereld heeft losgelaten eigenlijk nooit meer volledig terug. Ook Maazel beseft dat. Hij plaatst het werk middenin de laat-romantische traditie, met een zeer grote gevoeligheid voor de ongecompliceerde zangerigheid van wat Sibelius op papier heeft gezet. De aanzet tot mysterie is er al, zoals blijkt uit de mistige introductie, maar het overheersend gevoel is er een van ongelimiteerde potentie.

Dit is het verlangen dat eind 19e-begin 20ste eeuw langzaam doodbloedt. De eerste symfonie staat op de tijdslijn echter vlak voor die aderlating, en geniet dan ook een unieke positie binnen Sibelius’ oeuvre. De uitvoering van de BBC Philharmonic ligt nochtans onmiddellijk in het verlengde van Storgårds’ visie op de volgende symfonieën, waarbij hij de pieken en dalen van het werk nauwgezet in kaart brengt en met veel onmiddellijk invoelbare gemoedsbewegingen tot affect bij de luisteraar probeert te komen. Zet daar Rattle’s interpretatie naast, en die van Storgårds’ lijkt op slag wat vermoeiend. Enerzijds omdat de Fin zijn gewoonte om bepaalde momenten niet uitdrukkelijk tot ontwikkeling te brengen aanhoudt, anderzijds omdat hij zich elders zo levenslustig presenteert, dat zijn preparatie van de muziek bijna aan het opdringerige grenst.

Tenslotte is er nog de vierde symfonie. Bij Storgårds wordt dat een traject van een ijzig, glad en godverlaten berglandschap naar de zonneschijn over het dal. En terug. Dartel en diabolisch, dynamisch en duister: tegenpolen weet de dirigent te vervlechten alsof het een (ijs)koud kunstje is. Bij Maazel en de Wiener Philharmoniker lijkt er misschien nog net dat tikkeltje meer engagement te bestaan. Alleen al hoe de bassen tijdens de introductie het publiek in elkaar timmeren, waarna de weeklacht van de cello als een morbide verschijning over de krochten die de contrabassen oproepen waart: het is de handtekening van een eerste rilling over de ruggengraat van de luisteraar. En ja, zo volgen er tijdens deze lezing nog een paar. Bij Rattle en de Berliner Philharmoniker komt tenslotte ook het positieve duidelijk doorschemeren. Maazel lijkt wat teveel gefixeerd op tristesse waar geen oplossing voor wordt gesuggereerd, terwijl Rattle voortdurend sprankels hoop toelaat. Bij hem bereikt deze ten onrechte zelden geprogrammeerde symfonie haar finale bestemming: die van dichterlijk huwelijk tussen de lach en de traan, tussen hoogte en laagte, tussen kamermuzikale kleinschaligheid en orkestrale grandeur.

Dus…wat zegt de weegschaal?



Sir Simon Rattle's eerste cyclus met het City of Birmingham Orchestra deed al vermoeden dat de dirigent een bijzondere gevoeligheid heeft voor het werk van Jean Sibelius. Met de Berliner Philharmoniker voerde de Brit diens zeven symfonieën stuk voor stuk live uit, om ze vervolgens gebundeld in een prachtige koffer uit te geven. De integrale blijkt geen discours langs opmerkelijke pieken en diepe dalen, maar situeert zich van de eerste tot de laatste noot op het allerhoogste niveau. Qua inzicht, transparantie, solistisch kaliber én qua opnamekwaliteit is er vermoedelijk geen beter alternatief op de markt. Met als puntjes op de i: een blu-ray met alle symfonieën in ‘pure audio’ en een blu-ray met de symfonieën op video.
Score: *****
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Lees hier meer over de opname.



Sinds de jaren ’60 kan niemand die over Sibelius’ oeuvre spreekt, om Lorin Maazels complete opname van de symfonieën heen. Hij leidt de Wiener Philharmoniker met een geworteld verlangen naar emotie en transcendentie, waarbij hij elk van de opusnummer vanuit zijn persoonlijke esthetica karakteriseert. Voor wie niet houdt van de tempi, de detailzucht en het avontuur dat Sir Simon Rattle in deze werken injecteert, blijft Maazels integrale een rots in de branding. Decca heeft de hele set overigens uitnemend geremasterd, zoals blijkt uit de ‘pure audio’ blu-ray die wordt meegeleverd in deze vakkundig gedocumenteerde en vormelijk mooie uitgave.
Score: ****
Beluister hier enkele fragmenten uit de niet-geremasterde uitgave.



Als onbetwistbaar specialist in Scandinavische muziek, doet John Storgårds aan het hoofd van het BBC Philharmonic hele epistels uit de doeken aan de hand van Sibelius’ symfonieën. Analytisch wanneer het om de totale architectuur van de werken gaat en impulsief op momenten van grote emotie, koppelt de Fin inzicht aan intuïtie. Ondanks de onmiskenbare merites van het orkest, haalt deze serie echter niet het niveau van Maazels mystieke interpretatie, laat staan die van Rattle’s volmaakte incarnatie van alle facetten van de partituren. Deze box, vergezeld van genoeg biografische en musicologische duiding, is met andere woorden een verdienstelijke, gepassioneerde aanvulling op de opvoeringsgeschiedenis, maar geen must.
Score: ***
Beluister hier een fragment en lees hier de volledige liner notes.