In de weegschaal: de symfonieën van Franz Schubert

Met Schubert heeft men nooit gedaan…

Op 20 januari 2014 verloor muziekminnend Europa een van de grootste dirigenten van zijn generatie. Claudio Abbado werd tachtig, wat tijd genoeg bleek om het tot chefdirigent te schoppen bij enkele van de meest vooraanstaande orkesten ter wereld en om een aantal ensembles uit de grond te stampen.

Luisteren naar de partituur

Alles wat de Italiaan gedaan heeft, stond in het teken van de muziek. Het contrast met Herbert von Karajan, wiens positie Abbado bij de Berliner Philharmoniker waarnam na diens dood, kon moeilijk groter zijn. Abbado stak trouwens niet weg dat hij het niet had voor eerder autoritaire figuren die schoonheid via terreur afdwongen, en die zichzelf via hun arbeid verheerlijkten. Zelf geloofde de maestro in de zachte, mild sturende hand. Getuigenissen van musici die onder hem hebben gewerkt, hebben het over iemand die bijzonder stil praatte, en die vroeg om vooral te luisteren. ‘Naar wat de partituur vraagt, en wat ze zegt.’ Wat trouwens een prachtige paradox is, want maakt een dirigent zichzelf niet overbodig door voortdurend de aandacht te vestigen op de genoteerde overlevering?

Abbado zou niet een van de grootste dirigenten van de 20ste eeuw geweest zijn als hij niet onmisbaar was gebleken voor menig orkest. Zijn genie ging schuil in de integere manier waarop hij de muziek gestalte gaf. Overigens niet breed gesticulerend, maar soms enkel met de ogen. Dat onder andere Sir Simon Rattle en Iván Fischer allebei hetzelfde idee aanhangen, namelijk dat een dirigent niet dictatoriaal moet waken over de zuiverheid van de uitvoering maar veeleer de klank via zijn fysiek zo natuurlijk mogelijk gestalte moet geven, illustreert dat de Italiaan onder de kleppers van vandaag navolging heeft gekregen.

Abbado kon op zijn sterfbed terugblikken op een rijk gevuld leven, met onder andere langdurige samenwerkingen met La Scala, de Weense staatsopera, de London Symphony Orchestra en de Berliner Philharmoniker. Cumulatief betekent dit dat hij een onuitwisbare stempel op de hedendaagse uitvoeringspraktijk heeft nagelaten. Bij de Berliner manifesteert die zich tot op vandaag trouwens in de maatschappelijke queeste van het orkest. De artistieke leiding probeert haar muzikale missie immers expliciet in te bedden in de samenleving, onder andere door sterk in te zetten op multimedia, op extra-klassieke evenementen en op haar eigen label, dat de vinger aan de pols houdt voor wat de esthetische verlangens van de consument betreft. Zodoende is de Berliner Philharmoniker het levende bewijs van het feit dat klassiek geen prehistorisch anachronisme is, maar een actueel gegeven, waarbij vele honderdduizenden bezoekers jaar na jaar dankbaar voor anker gaan.

Een, twee, drie…Schubert!

De Berliner Philharmoniker heeft een behoorlijk lange Schubert-traditie, hoewel von Karajan zich nooit nadrukkelijk met de componist heeft geprofileerd. Onder Sir Simon Rattle kreeg Nikolaus Harnoncourt echter de kans alle symfonieën over het verloop van enkele seizoenen uit te voeren, alsook de opera ‘Alfonso und Estrella’ en de vijfde en zesde mis. Interessant is dat de dirigent ruim een decennium eerder alle symfonieën reeds had opgenomen met het Koninklijk Concertgebouworkest – een opname die jarenlang een absolute referentie is geweest. Ook had de dirigent met de Berliner Philharmoniker al de vierde symfonie ingeblikt voor Teldec. Dus, driemaal scheepsrecht?

Harnoncourts aanpak was van bij aanvang al extreem gewaagd, want dirigenten die de filosofie van de historische uitvoeringspraktijk vertalen naar een modern orkest, creëren een idioom waar het publiek toen, en eigenlijk ook vandaag nog, niet helemaal vertrouwd mee was (en is). Het schitterende aan Harnoncourts ideeën over authenticiteit is echter dat ze nooit dogmatisch worden en zich nimmer in details met betrekking tot specifieke instrumentatie of pietluttigheden voor wat fraseringen betreft verliezen.

De Oostenrijker houdt altijd de klankmatige verwezenlijking voor ogen, de concrete realisatie van de muziek. Zoals zijn interpretaties aan het hoofd van de Berliner Philharmoniker bewijzen, is er vooral een preoccupatie met het dramatisch potentieel van de muziek – kennis over het 19e-eeuwse uitvoeren met enkel daartoe aanleiding geven, dat dit drama efficiënt in de stellingen kan worden gezet.

Harnoncourt is overigens niet de enige die na verloop van tijd naar Schubert heeft teruggegrepen. Dat Claudio Abbado aan het einde van zijn leven de negende nog eens onder de loep nam met het Orchestra Mozart (waarvan een live-registratie dankzij Deutsche Grammophon nu al een paar maanden in de rekken ligt), ook al dateert Abbado’s integrale Schubert-cyclus met het Chamber Orchestra of Europe van ongeveer 25 jaar daarvoor, doet er geen twijfel over bestaan: met Schubert heeft men nooit gedaan.

De Grote

Interessant is de vergelijking tussen Abbado’s versie met het Chamber Orchestra of Europe en die met het Orchestra Mozart. In de eerste is het de warmte, de energie en een haast naïef schoonheidsideaal die op de voorgrond treden. In de tweede wordt er meer ingezet op tragiek, op de wildgroei aan emoties, waarbij het exces bijna in zicht komt. Toch ‘overinterpreteert’ Abbado deze muziek niet: hij vergroot de contrasten eerder discreet uit, waardoor niet meer te miskennen valt waaraan De Grote, zoals de bijnaam van de symfonie luidt, haar ondertitel te danken heeft.

In zijn jongste lezing, die met de Berliner Philharmoniker dus, slaat Harnoncourt nog een andere weg in. Een weg die echter minstens even interessant is. Bij hem is het transparantie waar het bovenal om lijkt te gaan. De kleinste cellen – een solistische uitval van de fluit of hobo, een retorische geste van de celli, ongewoon zachtaardige tutti – worden helder gekarakteriseerd, meer nog dan hij eerder met het Royal Concertgebouw Orchestra deed. Zijn visie is zonder meer de meest detaillistische, wat zoals gezegd niet betekent dat hij de grote boog veronachtzaamt. Abbado’s opname met het Chamber Orchestra of Europe is daarentegen de meest vanzelfsprekende.

Wonderbaarlijk is dat beide interpretatieve pistes perfect verdedigbaar zijn, en onvermijdelijk tot een extatische reactie aanleiding geven. Het pad richting euforie is echter gans anders: bij Harnoncourt zijn het de veelheid aan onverwachte spitsvondigheden die de negende tot een grote symfonie maken, bij Abbado’s eerste lezing ligt die grootsheid net besloten in de eenvoud van haar taal, in de onmiddellijke emotionaliteit en in de superioriteit van de orkestrale balans.

De Onvoltooide

Ook de symfonie die doorgaans als de achtste wordt aangeduid – de juiste nummering is echter de zevende, gezien het hypothetische bestaan van een zevende inmiddels musicologisch is weerlegd – biedt verschrikkelijk boeiend vergelijkingsmateriaal. Bij Harnoncourt zit de ‘Unvollendete’, die haar naam ontleent aan het feit dat Schubert maar twee delen voltooide, gedrenkt in een waas van plechtige mystiek. De bassen aan het begin en het trage tempo waarmee de beweging op gang wordt gebracht: ze zorgen voor een ongewoon contemplatief karakter, dat zich maar zeer langzaam ontvouwt tot de majesteitelijke apotheose in het eerste deel.

Ook in het andante heeft Harnoncourt bijzonder veel aandacht voor tristesse. De eenzaamheid van de houten is hier erg opmerkelijk, en het lijkt niet zelden alsof de dirigent de muziek regelrecht een halt wil toeroepen. Hoe hij bovendien speelt met uitersten, met overdaad en schroom, het zorgt voor een al bij al eclatante lezing. Ze is dat echter in haar minzaamheid en haar doordachtheid, terwijl Abbado ook hier weer een meer intuïtieve versie laat klinken, die minder de weg van de ratio volgt, maar veeleer vanuit de buik vloeit.

Vanuit de steevast wat geheimzinnige kiem, pakweg de eerste minuut, puurt Abbado vervolgens al snel een soort dansachtige lichtheid, die echter nauwe samenhang blijkt te vertonen met een idee dat eerder strijdvaardigheid lijkt te vertegenwoordigen. Wat volgt vertoont minder uniformiteit in vergelijking met Harnoncourt, maar des te meer spankracht. Abbado durft de musici immers even goed tot stilstand aan te manen, en ook hij is niet te bedeesd om solisten eenzaam te laten schitteren.

Op papier mag het Chamber Orchestra of Europe dan misschien een paar koppen kleiner zijn dan de Berliner Philharmoniker voor wat traditie en status betreft, maar hun uitvoering van Schuberts achtste is zo volmaakt dat daar weinig van te merken is. Het snellere basistempo in het eerste deel zet zich overigens door naar het tweede. Hiermee bereikt Abbado het effect van een heldere hemel met enkele wolken aan het firmament, kortom de stemming lijkt al enigszins doorlucht, hoewel er tekenen van onheil zijn. Het slot voltrekt zich dan weer alsof het om een reeks zuchten gaat – over volmaakte naturel in de muziek gesproken!

De vijfde en de zesde

Het triumviraat van Schuberts meest voorname symfonieën wordt vervolledigd door de vijfde. Bij Abbado vallen opnieuw de tempi op. Het allegro rondt hij bijvoorbeeld een minuut sneller af dan Harnoncourt, wiens openingsdeel al bij al ontspannener en comfortabeler aandoet. Als de Oostenrijker wil doen stilstaan bij de luisterrijke vanzelfsprekendheid van deze partituur, dan probeert zijn Italiaanse collega het materiaal integendeel expliciet te gebruiken om tot bepaalde affecten te komen. In het menuetto werkt Abbado’s voortvarendheid dan wel weer zijn vruchten af – de fonkelende inventiviteit spat er langs alle kanten vanaf, eens te meer zonder ook maar een greintje opdringerigheid.

In de zesde loodst het Chamber Orchestra of Europe de luisteraar eveneens met vlotte tred doorheen de vier delen. Hier is de gejaagdheid, anders dan in de vijfde, echter minder uitgesproken. Het ritme heeft bovendien als voordeel dat bepaalde van Schuberts ingrepen helemaal niet meer kunstmatig lijken, wat bij Harnoncourt soms anders is. De Berliner Philharmoniker maakt van de zesde echter bijna een sculptuur, zo zorgvuldig worden de entiteiten vormgegeven. De dirigent denkt in kleinere bogen, met andere woorden het landschap van de muziek is veel meer dan het lineair stijgende en dalende reliëf van Abbado.

Bij Harnoncourt zijn er integendeel voortdurend pieken en dalen, hoewel de gelijkmatigheid van de uitvoering absoluut bewaard blijft. De ongebreidelde lust waarmee bepaalde cellen aan bod komen, eigenlijk in elk van de vier muzikale kapittels, maakt deze symfonie tot een van de parels van de integrale cyclus. Ongecompliceerde grandeur, vreugde, tristesse, maar toch vooral vreugde: het zijn de ingrediënten van een parel van formaat.

De eerste vier

Verder zijn er nog de eerste vier symfonieën, binnen dewelke Harnoncourt en Abbado alweer sterk verschillen. Bij eerstgenoemde ligt het accent op de classicistische traditie uit dewelke Schuberts symfonieën zijn gegroeid en hoe de componist dat omvangrijke ideeëngoed naar zijn hand heeft gezet. Bij zijn collega ligt de aanpak dan weer meer in het verlengde van de hele serie symfonieën, waarbij levenskracht, groot plezier, stuwing en niet in het minst muzikale logica zonder twijfel sleutelwoorden zijn.

Bepaalde dirigenten kunnen niet goed overweg met deze stukken, maar onder Harnoncourt en Abbado worden ze trefzeker vertolkt, waarbij blijkt hoe weinig ballast deze prille stappen in het symfonische genre bevatten. De maturiteit van de vierde is bijvoorbeeld opvallend, daar waar de eerste drie een prachtig pallet van creativiteit voorschotelen, elk voor zich de excursie meer dan waard.

Missen

Tenslotte hebben beide uitgaven nog de zesde mis gemeen. Ook wat die betreft is de versie van de Berliner Philharmoniker superieur. De sfeer is niet alleen sacraler, ook de solisten zijn ongeëvenaard. Met Dorothea Röschmann, Bernarda Fink, Jonas Kaufmann, Christian Elsner en Christian Gerhaher op een en dezelfde bühne zou er in het slechtste geval een soort onderlinge competitie kunnen ontstaan, maar dat is hier niet het geval. Alle neuzen staan gewoonweg in dezelfde richting, en het Rundfunkchor Berlin tekent bovendien voor partijen die uitblinken in én intimiteit, én oerkracht.

De vijfde mis is, wanneer men ze naast de zesde zet, misschien wat minder volmaakt, maar ook uit dit werk boetseert Harnoncourt een prachtig exempel van piëteit. Qua devotie steekt de aanvoerder van de Berliner zijn collega misschien naar de kroon, maar in de handen van Abbado is de zesde mis eveneens een religieus werk hors catégorie. Er steekt in zijn interpretatie nog meer energie en misschien zelfs passie, wat de luisteraar uiteindelijk overrompelt. Als Harnoncourt hart en ziel van de toehoorder traag blank zet, dan kiest Abbado voor een aanpak recht op zijn doel af. In de korte tweede mis levert dat eveneens een mooi resultaat op, hoewel de balans tussen solisten, orkest en koor hier soms verstoord dreigt te geraken.

Extra’s

Verder bevat de Abbado-box nog een orkestratie van het ‘Grand duo’ van de hand van Joseph Joachim. Die wist donders goed welke symfonische kleuren werken, en hoe die te doseren. De adaptatie is daardoor een weelderige ontdekkingsreis – een van de hoogtepunten van de uitgave. Een ander illuster schijfje is de cd met liederen, ingezongen door mezzo Anne Sofie von Otter en bas-bariton Thomas Quasthoff, die inmiddels helaas de handdoek in de ring gooide. Het duo verzorgt enkele van de meest gevoelige Schubert-vertolkingen ooit, waarbij Abbado perfect weet hoe hij stem en orkest harmonisch moet verbinden.

Tot slot mocht de muziek die Schubert schreef voor Helmina von Chézys ‘Rosamunde’ niet ontbreken. Een terechte toevoeging, want meer nog dan ‘Alfonso und Estrella’ (die Harnoncourt wel includeerde), bevat het alles wat Schubert tot een magistraal schepper maakt: inventiviteit, dramatisch potentieel en de beknoptheid die voornoemde opera toch enigszins vreemd is. Wetende hoe weinig ‘Alfonso und Estrella’ op de agenda staat, is het anderzijds natuurlijk een zegen een lezing in handen te kunnen krijgen met Harnoncourt aan het roer. Toch maakt de dirigent van dit stuk geen glinsterend klatergoud.

Voor de symfonieën en de twee missen is dat echter fundamenteel anders. Daarin bereikt hij een graad van oorspronkelijkheid die slechts enkelen kunnen opeisen. Abbado is eveneens een van die enkelingen. Vanuit een totaal andere ingesteldheid maakt ook hij van Schuberts symfonische oeuvre een feest – een trein van tranen, een gelag vol gelach. Er zijn meerdere wegen naar het paradijs van volmaakte uitvoeringen, zoveel is zeker.

Dus...wat zegt de weegschaal?

De Berliner Philharmoniker maakt zijn reputatie nog maar eens waar. Onder aanvoering van Nikolaus Harnoncourt maakt het Duitse orkest van Schuberts symfonieën puur klatergoud. Een detaillistische en hoogst transparante aanpak: dat zijn de kernwoorden voor deze magische verzamelbox, overigens luxueus uitgegeven en vergezeld van een blu-ray waarop de dirigent zijn visie op Schubert toelicht. De blu-ray bevat daarenboven nog eens alle muziek in Pure Audio (24-bit / 48 kHz).
Score: *****
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Lees hier meer over de opname.

Het Chamber Orchestra of Europe laat zich door Claudio Abbado op sleeptouw nemen in wat een reeks energetische, gepassioneerde vertolkingen zijn geworden. Niet het grote gebaar, maar de puurheid, de eenvoud, het voor Schubert karakteristieke huwelijk tussen verdriet en vreugde: deze verzamelaar heeft het allemaal. Hoewel minder fraai uitgegeven, is de prijs zeer democratisch.
Score: *****
Lees hier meer over de opname en beluister enkele fragmenten.