In de weegschaal: de symfonieën van Ludwig van Beethoven

Een leven in muziek

Geen symfonische integrale werd zo vaak opgenomen als die van Ludwig van Beethoven. Daar zijn tal van redenen voor. De homogene kwaliteit van de negen opusnummers bijvoorbeeld. Alsook de compositorische evolutie die zich in de werken manifesteert. Nog afgezien van de aantrekkingskracht die de partituren decennia lang hebben uitgeoefend op het publiek, de onmiddellijke emotionaliteit van Beethovens schriftuur, de diverse identiteiten van elke creatie afzonderlijk, de historische ontdekkingen en musicologische discussies waardoor de uitvoeringspraktijk doorheen de laatste jaren bijzonder interessant is gebleven, het feit dat menig dirigent zichzelf met een integrale op de kaart heeft gezet omdat het materiaal heel wat creativiteit toelaat, enzovoort. Men kan uren lang rationaliseren waarom net deze muziek meer dan andere op de concertagenda’s staat, maar eigenlijk blijft het een mysterie. Een enigma waar de melomaan dankbaar om blijft, want eenmaal er een definitieve ‘waarheid’ in deze muziek bereikt zou worden, dan heeft verder uitvoeren weinig zin. Dat er afgelopen jaar verschillende Beethoven-cycli werden uitgebracht, hoeft met andere woorden niet te betekenen dat de liefhebber er een moet uitkiezen. Wel integendeel. Dat Beethoven leeft, wordt bewezen door het feit dat hij telkens opnieuw tot klinken wordt gebracht – door elke dirigent met andere klemtonen, andere accenten, een andere humanistisch-filosofische visie, een ander esthetisch kader.

Een drievoud in drievoud

Een veertiger, een zestiger en een tachtiger: drie generaties dirigenten hebben hun voeling met Beethovens muzikale universum dit jaar op de wereld los gelaten. De jongste, Philippe Jordan, deed dat aan de zijde van een opera-orkest dat nog niet eens alle symfonieën had uitgevoerd, zelfs niet in de lange geschiedenis van haar bestaan. Het liet de musici toe, aldus de dirigent, om helemaal mee te gaan in zijn onorthodoxe manier van werken. Jordan heeft zich bovenal toegelegd op de akoestische context van zijn uitvoeringen. Wetende dat deze werken in Beethovens tijd door sterk uitgedunde ensembles werd uitgevoerd, wou Jordan in de tegenwoordige tijd opnieuw de nadruk leggen op de balans tussen strijkers, houten, kopers en slagwerk. Een opmerkelijk detail is dat uit historisch onderzoek is gebleken dat de concertervaringen in Beethovens tijd als veel luider werden ervaren dan vandaag het geval is – stuk voor stuk bewegen wij ons immers dagdagelijks in de ruis van een bestaan dat door luidruchtig transport en schreeuwerige media wordt opgeluisterd. Jordans bedoeling was evenwel niet om diezelfde ervaring van volume op te wekken, maar wel om de effecten van blazers en pauken te versterken ten overstaan van de strijkinstrumenten. Het achterliggende idee is natuurlijk dat de muziek veel helderder communiceert, wanneer haar verrassende wendingen met grotere nadruk worden gepresenteerd.

Initieel lijkt het er overigens op dat Sir Simon Rattle, de zestiger waarvan sprake, iets soortgelijks voor ogen moet hebben gehad, maar niets is minder waar. De uitvoeringen van de Berliner Philharmoniker zijn immers helemaal niet gestoeld op effecten, wel op existentieel geladen drama. Wonderlijk is hoe Sir Rattle de binnenstemmen laat spreken, en via een ongewone aandacht voor de buik van het orkest komt tot het aanschouwelijk maken van de architectuur van de muziek. Enerzijds is zijn methode gericht op het genereren van narratief en drama, maar dit niet als op zichzelf staand gegeven. De weg daarheen voert immers via de partituren zelf! Kortom, het is Beethoven zelf die spreekt, en geen dirigent die een componist gebruikt om allerhande spectaculairs op het publiek los te laten. Dat het begeleidende boekje bij deze integrale cyclus een hoofdstuk wijdt aan reconstructie van de oertekst van deze partituren, zegt genoeg. Sir Rattle wou koste wat het kost terug naar het begin, naar de genese van deze opusnummers. Niet om slaafs, onder het hippe predicaat ‘authentiek’, oude muziek ouderwets uit te voeren, maar om te begrijpen wat Beethoven heeft willen overbrengen. Ontluisterend is dat er doorheen de eeuwen talloze details verloren gingen, omdat er slordig werd gekopieerd en hier en daar zelfs werd ‘gecorrigeerd’. Gevolg van Jonathan Del Mars gereviseerde editie, die inmiddels anderhalf decennium in omloop is, is dat Beethoven-kenners van de oude stempel hier en daar steigeren bij de toegepaste ‘nieuwe’ ontdekkingen. Ook dit is echter de traditie levendig houden: openstaan voor onderzoek, de geest van de componist trachten te benaderen, zonder in dogmatisch gefleem met de zogenaamd heilige overlevering te vervallen.

De oudste dirigent in het gezelschap, met name Rafael Frühbeck de Burgos, is inmiddels komen te overlijden. De laatste jaren van zijn carrière bracht hij door in de rangen van het Danish National Symphony Orchestra, waarmee hij deze integrale inblikte in de laatste maanden voor zijn dood. Tot daarvoor was de Spanjaard lange tijd werkzaam geweest in de Verenigde Staten, waar hij furore maakte bij onder meer het Philadelphia Orchestra en de Boston Symphony Orchestra. Ook in Japan en uiteraard in Europa heeft Frühbeck de Burgos zijn sporen verdiend, niet in het minst als figuur die klassieke muziek propageerde binnen zijn vaderland. Jarenlang voerde hij het nationaal orkest van Spanje aan, wat hem onder patriotten grote populariteit opleverde. Tot aan het eind van zijn leven was de dirigent iemand die openhartig en zonder veel omhaal met orkesten aan de slag ging. Geen tiran, geen doetje, maar iemand met een uitgesproken mening en vooral veel goesting. Dat hij tot in juni 2014, het jaar waarin hij ter aarde werd besteld, een boegbeeld was van de traditionele uitvoeringspraktijk, betekent dat zijn Beethoven-lezingen erg 20e-eeuws aandoen. Afgelijnd pathos, tragere tempi, een nog klassieke oriëntatie, kortom Beethoven als overgangsfiguur meer dan als radicaal beeldenstormer: het levert een gans ander kleurenpalet op, dat binnen dit vergelijkend artikel niet achterwege kon blijven.

Teneinde de leesbaarheid te bevorderen, werd geopteerd om drie symfonieën naast elkaar te leggen. Een drievoud in drievoud – in getallen deelbaar door drie dan nog. De derde (‘Eroica’), de zesde (‘Pastorale’) en de negende vormen bovendien een uitstekende kapstok om de kwaliteiten en zwaktes van verschillende cycli aan het licht te brengen.

Hoe heroïsch de Eroica?

Het politieke verhaal achter de ‘Eroica’ is momenteel bijna even gekend als de partituur zelf. Dat Beethoven de naam van Napoleon uit de titel schrapte nadat de Fransman zichzelf tot keizer had uitgeroepen, zou echter slechts een halve waarheid zijn. De componist kon immers onmogelijk aan zijn broodheren verkocht krijgen dat hij mee heulde met ‘de vijand’ – ook al werd Beethoven niet geïnspireerd door de nationaliteit van de leider, maar door diens principes van vrijheid en gelijkheid. Hoe dan ook – politieke geste of persoonlijke ontgoocheling – ging de derde symfonie de boeken in als een van Beethovens beroemdste werken. Wat niet genoeg kan benadrukt worden is dat het werk een drastische herdefiniëring van het symfonische genre inhoudt. Dat niet (enkel) programmatisch, maar bovenal qua vorm en lengte. Een bijna vijftig minuten durende symfonie was tot dan toe ongezien, en dat het langzame deel – een dodenmars voor een nog levend figuur? – het epicentrum van het stuk bleek, dat sloeg al helemaal in als een bom. De critici wisten zich dan ook niet goed raad met het stuk, maar gelukkig voor Beethoven werd het door het publiek enigszins naar waarde geschat. Dat het tot op heden een monument in het repertoire zou blijven, had evenmin niemand zien aankomen.

Sir Rattle kiest in de ‘Eroica’ voor de strakke lijn, weliswaar zonder de dieptewerking te verwaarlozen. Waar Jordan vooral de omlijsting rondom de strijkers dramaturgisch bijschaaft, gaat het er bij de Berliner Philharmoniker anders aan toe. Daar spitst Sir Rattle zich juist toe op de strijkers, omdat al het andere vanzelf komt. Inderdaad legt Jordan een excellente versie neer, waaruit echter quasi geen bijzonderheden naar voor komen. Zijn focus op balans en transparantie werkt uitstekend, met dien verstande dat het een zeer goede lezing is, energetisch, stilistisch elegant, maar geschoeid op klassieke leest. Ingrijpend anders is de ingesteldheid van de Duitsers, die de ideeën herdenken en met een zelden geziene of gehoorde vinnigheid aantreden. Het langzame deel is bij hen dan weer een ontbolsterend stuk smart, een kristallen traan die zich langzaam vormt, om in de loop van de weldadige volgende delen opnieuw te evaporeren. Het is hoe schoonheid vorm krijgt vanuit de concurrerende krachten des levens: vreugde en verdriet, verweven tot een hechte twee-eenheid. Frühbeck de Burgos kiest daarentegen voor de meer rigide patronen. Bij hem al helemaal geen verrassingen meer, zij het zeer accuraat soleerwerk. Het edele, het dansante, het majesteitelijke: hij stopt het allemaal in een kraaknette lezing, die hier en daar wat sleept, maar overwegend wel degelijk meesleept.

Hoe pastoraal de Pastorale?

Waar tegenstellingen in de ‘Eroica’ door Sir Rattle weergaloos worden verbonden, dan opteert hij in de ‘Pastorale’ voor het doodgewoon naast elkaar laten bestaan van opvallende contrasten. De introductie is een schoolvoorbeeld van ongecompliceerde idylle. De eenvoud, de naturel, de volheid van de klank: er is een ensemble zoals de Berliner Philharmoniker voor nodig om het werk naar zo’n vanzelfsprekend niveau te tillen. Ook de ‘Szene am Bach’ heeft iets volmaakt rustiek, net omdat Sir Rattle niet te veel probeert, niet te veel wil toevoegen, niet te veel een eigen stempel hoeft te drukken. De uitvoering loopt als het ware vanzelf, maar niets is natuurlijk minder waar, want Sir Rattle leidt als ceremoniemeester alles in goede banen. Met de boerendans verschuift het gevoelsmatige spectrum ineens naar een geëxalteerd register, waarna de donder en de storm in het gelijknamige deel losbarsten. De brutaliteit van de natuurkrachten heeft Beethoven hier fenomenaal afgebeeld in zijn muziek, en Sir Rattle doet dat ook inzien. Regelrecht huiveringwekkend is hoe de donder raast en hoe de natuur de orde der dingen in vraag stelt. Met een harmonisch ‘Hirtengesang’ plaatst de dirigent evenwel een punt achter deze viering van het aardse leven, met alle aardse geneugten die daar nu eenmaal bij horen. Tomeloos, ontketend, ongebreideld, maar ook beheerst, wollig waar het kan, cassant waar het moet: deze ‘Pastorale’ mag een mijlpaal heten, zoveel jaar nadat von Karajan als kopman van hetzelfde orkest zich met een nog altijd onbegrijpelijk mooi lezing onsterfelijk heeft gemaakt.

Niet ‘te veel’ willen doen is inderdaad essentieel in dit werk. Niet alle dirigenten kunnen daar echter mee om. Philippe Jordan probeert zich bijvoorbeeld toch te onderscheiden van collega’s, door hier en daar met tempi te spelen of iets uit te proberen in de balans. Meestal zijn het dan de strijkers die hij dan emancipeert, met eens te meer gracieus resultaat. Zijn visie mag er zeker zijn, en de organiciteit ervan is uitzonderlijk. Dat het Orchestre de l’Opéra National de Paris zelden concertante muziek uitvoert, is bijna niet te geloven. Hun totaalklank, hun schijnbaar aangeboren gevoel voor de onderlinge geledingen en de indrukwekkende eerste pupiters liegen er immers niet om: deze musici zijn in erg goede doen. Dat Jordan een zeldzame keer richting de hyperbool walst, is geen schande. Hij spant immers een bekoorlijke boog van begin tot eind – een einde dat hij trouwens in schoonheid laat uitdoven. Bij Frühbeck de Burgos keren de reeds opgesomde eigenschappen terug. De verbeeldingskracht waarmee hij het landleven al dirigerend afschildert, is fascinerend. Toch ontbreekt soms de ademruimte voor de luisteraar, het vermogen om als ‘consument’ van de muziek bij te dragen. Waar bij Sir Rattle en Jordan de zuurstof bestaat voor een eigen beleving, zet de Spanjaard alle krijtlijnen heel duidelijk uit. Het is kortom een eerder museale opvoering, wat niet als een groot tekort moet gezien worden. De helderheid van Frühbecks directie zal met name ook leken aanspreken; het vanzelfsprekende karakter is hier anders geformuleerd eerder een sterkte dan een zwakte.

Hoe finaal de finale?

De negende symfonie zou Beethovens laatste worden. Velen hebben zich al afgevraagd wat de componist nog zou verwezenlijkt hebben als hij de tijd gekregen had voor een tiende – weinigen stellen zich die vraag evenwel luidop. Het heeft er namelijk alle schijn van dat de man gewoon niet verder kon. Hij duwde de symfonie naar de grens van wat binnen zijn idee van de ‘ideale symfonie’ mogelijk was. Een expliciet programma – het afschilderen van alle menselijke tragiek, om dat omvattende lijden uiteindelijk in een slotdeel te laten opgaan in een koor waarin de draagkracht van het individu wordt opgetild door het versmelten met het collectief – en een uitgesponnen vorm zijn twee aspecten van de drastische vernieuwingen die Beethoven doorvoerde, maar zo zijn er nog meer. Zonder al te technisch te willen worden, staat het als een paal boven water dat de partituur meteen verraadt dat de componist sinds zijn vorige symfonie een reusachtige stap voorwaarts had gezet. Alles werd denser, uitgepuurder, voller, meer risicovol. Beethoven, op dat moment volledig geïsoleerd in zijn doofheid, moet het gevoel gehad hebben dat hij niets meer te verliezen had. En zo was het ook – hij won er zijn onsterfelijkheid mee. Dat op de huidige ‘compact disc’ 80 minuten muziek past, zou te maken hebben met de lengte van Beethovens meesterwerk. Waarheid of mythe, het doet er niet toe. Zeker is dat dit opus 125 alles wat erna kwam in belangrijke mate heeft beïnvloed.

Zoals bovenstaande reeds doet vermoeden, kleeft er veel gewicht aan de negende. Kan men nog onbevangen luisteren? Of, om terug te gaan naar de kiem: kan er nog ongedwongen uitgevoerd worden? Bij Rafael Frühbeck de Burgos lijkt het erop van niet. Hij zet een potige, uit de kluiten gewassen negende neer. Alweer opteert hij voor duidelijke karakteristieken. Elke interventie moet keurig gefraseerd worden, elke inzet moet te herleiden zijn tot een duidelijke eenheid, elke kleur wordt gekoppeld aan een welbepaald gegeven. Gevolg is dat een eigen insteek wel eens ontbreekt: met tempi wordt soms wat te laks omgesprongen, daar waar Jordan en Sir Rattle veel meer vanuit de muzikale dramaturgie zijn vertrokken. Bij de Danish National Symphony Orchestra staat de negende er bovenal als een monoliet. Een monument uit een andere tijd, die vandaag weliswaar nog altijd tot de verbeelding spreekt. Het engagement van de musici verdient immers alle lof, net als de kwaliteit van het koor. Niettemin is deze versie de minst prikkelende.

Jordan, die met onder meer Robert Dean Smith in zee ging en zich dus vocaal door exclusieve kwaliteit wilde laten omringen, voelt beter aan hoe hij adrenaline door het stuk moet pompen. Te drastische wendingen blijven uit – daarvoor zijn Jordans trommelvliezen te verfijnd aangelegd. Zijn interpretatie is tegelijk heftig als gecontroleerd, tegelijk emotioneel als rationeel. Netjes in evenwicht, en toch gevoelsmatig puur: als Sir Rattle’s uitvoering er niet was geweest, dan was Jordans lezing een hoogtepunt van 2016 geweest. Dat is ook nu weer buiten de Berliner Philharmoniker gerekend, die geen komaf maakt met de historische uitvoeringspraktijk, maar die wel naar de toekomst durft blikken, of op zijn minst op het heden. In het gezegende jaar 1989, toen de Berlijnse muur viel, dirigeerde Leonard Bernstein een befaamde versie in wat vandaag de hoofdstad van Duitsland is. Helemaal anders klinkt de partituur nog geen dertig jaar later onder het baton van Sir Rattle, die dissonanten in de verf durft zetten, doelbewust contrasten opzoekt om de existentiële lading te expliciteren en met een feilloze intuïtie de ideale tempi vindt. Zijn uitgebreide set stemmen, met name Annette Dasch, Eva Vogel, Christian Elsner, Dimitry Ivashchenko en het Rundfunkchor Berlin, zingt de concurrentie overigens zonder verpinken naar huis. Vertolkingen uit de duizend, binnen een live-opname die men uit de duizend kan herkennen.

Dus…wat zegt de weegschaal?

Beethoven en Sir Simon Rattle bleken al langer uitstekend bij elkaar te passen. Na Wenen en Birmingham te hebben vergast op exquise uitvoeringen, was Berlijn aan de beurt. Als chef van de Berliner Philharmoniker voelt de dirigent de musici perfect aan, en vice versa. De omstandigheden zijn kortom ideaal voor negen interpretaties waarin negen unieke identiteiten worden ontwikkeld. Historisch geïnformeerd, zonder de axioma’s van de authentieke uitvoeringspraktijk zonder slag of stoot te aanvaarden, is dit een superieure verzameling. Bovendien prachtig gebundeld in een koffer die van boeiende liner notes vergezeld gaan, met de hele ervaring zowel op cd, in 'pure audio'-formaat als visueel te beleven.
Score: *****

Hoewel Philippe Jordan in de eerste plaats zijn sporen heeft verdiend binnen het operagenre, bevestigt hij met deze cyclus dat hij zich evengoed thuis voelt in de grote symfonische canon. Het Orchestre de l'Opéra National de Paris overtreft zichzelf met verfijnde eerste pupiters en een bewonderenswaardig aanvoelen van balans. De dirigent ziet ondertussen toe op het narratieve spoor, dat telkens stijlvol wordt gepresenteerd. Een pittig en verfrissende cyclus, zowel op dvd als op Blu-ray verschenen bij Arthaus Musik.
Score: ****

Het Danish National Symphony Orchestra mag dan internationaal niet zo heel veel voorstellen, het heeft aan wereldvermaard dirigent Rafael Frühbeck de Burgos genoeg om zich met de wereldtop te kunnen meten. In de maanden voor zijn overlijden nam de Spaanse dirigent al afscheid van de podia met een van zijn geliefkoosde componisten. Geen nagelnieuwe Beethoven, maar de viering van een oude bekende: met tragere tempi, nadrukkelijke keuzes en niet te veel onverwachte wendingen, brengt de man hulde aan een figuur die onsterfelijke muziek heeft geschreven, vanuit het besef van zijn eigen sterfelijkheid. Een aandoenlijk vaarwel, door Da Capo Records gespreid over zes dvd's. Met Berlioz' 'Symphonie fantastique', Strauss' 'Eine Alpensinfonie' en Rodrigo's 'Concierto de Aranjuez' bovendien als smakelijk dessert!
Score: ***