In de weegschaal: de pianoconcerti van Ludwig van Beethoven

Een grabbel uit de duizend

Met vijf zijn ze, de pianoconcerti van Ludwig van Beethoven. Stuk voor stuk hebben ze een ander karakter, nemen ze een unieke plaats in binnen het oeuvre van de componist en markeren ze een specifieke evolutie in diens compositorische stijl. Dat laatste weliswaar eerder subtiel, want na het opus 73 volgen uiteraard nog een reeks revolutionaire ontwikkelingen, zowel op vormtechnisch vlak als qua harmonie. Genres als het strijkkwartet en de pianosonates leenden zich beter tot het verzetten van bakens, zoals Beethoven met zijn laatste opusnummers deed. De intimiteit en de specifieke sonoriteit van de kamermuziek verdraagt allicht meer experiment, maar dat neemt niet weg dat de wegbereider van de romantiek ook op symfonisch vlak nieuwe paden heeft geëffend. Op meer bescheiden schaal markeren de concerti een overgang van een al vrij gedacht classicisme naar een zekere onbesuisdheid, later de blauwdruk voor het concerto zoals dat er in de 19e eeuw zou uitzien.

Wat zich aan evolutie in Beethovens concerti voltrekt, heeft meer dan één muzikant er toe gebracht meerdere opnames van de reeks te maken. Denk wat dat betreft aan kleppers als Vladimir Ashkenazy, Maurizio Pollini en Alfred Brendel: allen hebben ze Beethovens vijf geesteskinderen verschillende keren ingeblikt, doorheen verschillende fases van hun carrière. Ook de in Japan geboren maar tot Brit genaturaliseerde Mitsuko Uchida heeft ondertussen twee integrale cycli op haar naam staan: een aan de zijde van Kurt Sanderling in de jaren negentig en een recente interpretatie met de Berliner Philharmoniker. Waarom uitvoerders teruggrijpen naar deze standaardwerken? Omdat hun schriftuur van een zodanige flexibiliteit is dat men er zich steeds anders toe kan verhouden. Dat is een welbekend cliché als het bijvoorbeeld over Bachs cellosuites gaat, maar in geval van Beethovens pianoconcerti is de boutade niet minder waar.

Een vergelijkende studie van deze werken kan nergens beginnen, en al evenmin eindigen. Alleen al de diverse lezingen van vroege goden aan het pianofirmament zoals Arthur Rubinstein en Wilhelm Kempff zijn een uitgebreid artikel waard. De minder beslagen liefhebber verdient echter een behoorlijke leidraad wanneer het om deze schitterende composities gaat, vandaar dat een nevenschikking van drie interpretatieve tendensen niet misstaat. Ten eerste is er de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk van Pierre-Laurent Aimard, begeleid door het Chamber Orchestra of Europe met Nikolaus Harnoncourt aan het hoofd. Hoewel alle ogen (en oren) bij “historisch geïnformeerd” onmiddellijk gericht zijn op het type klavier, manifesteert de authenticiteitsdrang van Harnoncourt en Aimard zich veel meer in de geest van de uitvoeringen. In het verlengde van Beethovens natuur kiest Harnoncourt immers voor duidelijke interventies qua dynamiek, ritmiek en orkesttextuur. De strijkers klinken verre van wollig, de kopers volrond en de houten mooi ingebed in de totaliteit van een erg transparant symfonisch weefsel.

En Aimard? Diens vingervlugge interpretatie, die van een onwaarschijnlijke noblesse en elegantie doordrongen is, nestelt zich kraakhelder tussen de verschillende partijen in. Weinig wordt op die manier aan de verbeelding over gelaten: de resultante is meer dan virtuoos ook erg verfrissend en effectrijk, maar bovenal humanistisch. Noem het een ode aan de menselijke ratio: hoe emoties gehoorzamen aan een onfeilbaar verstand, of hoe de piano zich nu eens spelenderwijs, dan weer plechtstatig tussen de afzonderlijke orkestgeledingen kenbaar maakt, het lijkt kort na de eeuwwisseling een absolute mijlpaal qua Beethoven-opnames. Inmiddels zijn we nog geen twintig jaar later, en toch zijn we alweer een heel aantal intrigerende cycli rijker. Brautigam, Lewis, Sudbin, Buchbinder: stuk voor stuk hebben hun opnames merites die uniek zijn in het landschap. Toch was het wachten op een geluid uit Noorwegen vooraleer de bakens nog maar eens konden verzet worden. Juist, het was Leif Ove Andsnes die er in slaagde Beethoven dan toch weer helemaal anders te laten klinken, in plaats van hier en daar een accent te verleggen.

Onder de noemer ‘The Beethoven Journey’ reisde Andsnes de wereld rond met het Mahler Chamber Orchestra, waarbij de hele ploeg niet alleen haar schouders zette onder avondvullende programma’s, maar ook onder een educatief programma voor kinderen met een gebrekkig gehoor. Onvergetelijk is een beeld in BOZAR, van tientallen kinderen op de parterre die ruchtbaarheid gaven aan hun enthousiasme door met hun handen in de lucht te zwaaien. Afgezien daarvan is de gebundelde serie opnames een niets minder dan verbluffende ervaring. Vooreerst omwille van de naturel waarmee Andsnes musiceert: nooit krijgt de luisteraar het gevoel dat de pianist een hoogst virtuoze partituur voor zich heeft, omdat alles vanuit een grote evidentie wordt vertolkt. Deze hang naar pianistieke eenvoud zet de poort open naar een alternatief soort ontroering, vanuit de mogelijkheid dat de muziek helemaal voor zichzelf kan spreken, met de uitvoerder niet als held, maar als medium. Toch profileert Andsnes zichzelf als medium: humor is hem alleszins niet vreemd, evenmin als melancholie of bravoure. Dit alles evenwel binnen de contouren van een bescheiden gedacht opzet, kortom in essentie zijn de keuzes – hoe efficiënt ook hun uitwerking – steeds compact, logischerwijs voortvloeiend uit de noten zoals ze op papier staan.

Voeg bij een dergelijke pianogenie een orkest dat eigenlijk bestaat uit een rits solisten, en je begrijpt dat de integrale vlekkeloos klinkt. Ze bevat gewoonweg alles – een onwaarschijnlijk huwelijk tussen inzicht en inspiratie! – en laat geen steken vallen op vlak van opnametechniek, geluidsmix of, van nog groter belang, balans tussen piano, strijkers, houten en kopers onderling. Kan een gereputeerd orkest dan überhaupt nog beter doen? Het antwoord is waarschijnlijk van niet, en inderdaad: de kersverse opname van Mitsuko Uchida met de Berliner Philharmoniker onder leiding van Sir Simon Rattle stoot Andsnes en co niet van de troon. Nochtans heeft Uchida’s pianistiek aan maturiteit gewonnen in de voorbije twintig jaar. Nog altijd zweert haar persoonlijkheid bij de heldere lijn, bij ragfijn gedisseceerde verticale structuren, bij de simpliciteit van ontluikende melodieën, kortom bij schoonheid op de meest natuurlijke wijze. Vraag is echter, in vergelijking met Andsnes, waarom Beethoven geen mystiek zou mogen bevatten, geen gewiekste humor, geen kwajongenskarakter?

Ook Sir Rattle’s directie haalt het niet bij die van Andsnes. Net door de muzikanten vrij te laten, is het bij het Mahler Chamber Orchestra de pols van de muziek zelf die de voltallige groep musici dicteert. Niet dat de Berliner Philharmoniker het laat afweten op vlak van samenhang of coherentie: zeer zeker niet! Alleen bezitten de orkestpartijen, hoe puik ook vertolkt, niet dezelfde urgentie of doortastende notie die bij de collega’s van het MCO wel terug te vinden is. Allicht maakt dat, evenveel als het engagement van de solist, het briljante van een vijfdelige set uit: de orkestpartijen, waarin zich onderscheiden veel moeilijker gaat om de evidente reden dat het materiaal minimalistischer is opgevat. Wat nu als dit orkest als het ware door de klankkast van de piano wordt gevoed, en omgekeerd? Welnu, dan ontstaat een opname uit de duizend – voor zover ze dat natuurlijk niet allemaal zijn.

Pierre-Laurent Aimard, Nikolaus Harnoncourt & Chamber Orchestra of Europe

 

Score: ****
Luister hier naar de eerste beweging uit het derde concerto.
Lees hier meer over de opname.

Leif Ove Andsnes & Mahler Chamber Orchestra

 

Score: *****
Luister hier naar de eerste beweging uit het derde concerto.
Lees hier meer over de opname.

Mitsuko Uchida, Sir Simon Rattle & Berliner Philharmoniker



Score: ****
Bekijk hier een introductie tot de uitgave.
Lees hier meer over de opname.