V/C, ‘Piano Concerto No. 2’

Zonder blikken of blozen

In een nog niet zo heel ver verleden werden kunstenaars door het Sovjetapparaat als propaganda-instrument beschouwd. Vandaag moeten alternatieve geluiden niet vrezen voor een verbanning naar Siberië, maar nog steeds is er in Rusland sprake van een duidelijke verstrengeling tussen het artistieke en het politieke milieu. Zo is het geen geheim dat het staatshoofd en Valery Gergiev, chef van het Mariinsky, beste maatjes zijn.

Ook Denis Matsuev onderhoudt als ambtenaar bij het Ministerie voor Cultuur goede contacten met vadertje staat. Geen wonder dus dat dirigent en pianist zich al jaren aan een stuk uitsluitend op inheemse componisten richten. Muzikaal pattriotisme, jazeker!

Dit album volgt op eerdere collaboraties tussen het duo, waarbinnen andere concerti van Rachmaninov en Prokofiev werden uitgelicht. Het tweede pianoconcerto van beide componisten behoort echter tot de publiekslievelingen wereldwijd, kortom het is niet onlogisch dat dit album op meer internationale aandacht kan rekenen.

Bewonderenswaardig is dat Matsuev en Gergiev deze huzarenstukken op amper twee dagen tijd live inblikten. De twee laten zich amper op fouten betrappen en het samenspel is bijwijlen zodanig efficiënt, dat de vraag rijst of men achteraf niet heeft geredigeerd. Hoe het ook zij, Gergiev en Matsuev houden in beide partituren vast aan de concertante principes. Hun opname lijkt niet zozeer collectief uitgekookt, als wel individueel.

Gergiev redeneert vanuit een innerlijke stuwkracht die zich laat identificeren als zijn persoonlijke signatuur, terwijl Matsuev technische souplesse als hoogste goed verdedigt. Het Rachmaninov-concerto ligt het duo wat beter, omdat het meer homogeen geconcipieerd is. Gergiev benadert de eerste beweging vanuit een onstuitbare drang die het pathetische register enigszins ondersneeuwt. Matsuev diept de treurnis echter langzaam maar zeker op, met stevige uithalen die wat ze niet qua poëzie in zich dragen compenseren met vitaliteit.

Prokofievs tweede concerto draagt dan weer de sporen van het verlies van een vriend, maar de stroom van melancholieke herinneringen voert ook langs gewiekst kattenkwaad, hetgeen Gergiev gedeeltelijk veronachtzaamd door alle stemmen als belangrijk te beschouwen. Vanuit zijn principiële ernst propageert Matsuev deze sprankels lichtheid op zijn beurt eerder als muzikale dan als menselijke spitsvondigheden.

Alles opgeteld zijn dit indrukwekkende uitvoeringen. In dit repertoire is de concurrentie echter moordend. Van Arthur Rubinstein tot Nikolai Lugansky: de waarheid eindigt niet bij Denis Matsuev.