V/C, ‘Deux’

Een moment van waarheid

De clichés rondom de persoon van Patricia Kopatchinskaja zijn genoegzaam bekend. Zo zou ze ‘de rockster’ onder de violisten zijn. Zo treedt ze quasi altijd op blote voeten op. Zo zet ze repertoire helemaal naar haar hand. En zo is ze niet vies van een sporadisch uitstapje naar haar Moldavische roots. Haar discografie legt inmiddels getuigenis af van haar ongewone interesses. In verhouding tot de rest van haar albums zou ‘Deux’ als een erg traditionele opname bestempeld kunnen worden. Programmatisch is dat inderdaad min of meer het geval, interpretatief evenwel niet.

Kopatchinskaja laat zich voor ‘Deux’ – what's in a name? – omringen met een collega die eenzelfde drang tot eigengereide lezingen in zich draagt. Polina Leschenko koppelt een feilloos technisch meesterschap aan indringende vertolkingen. Ze is even compromisloos als Kopatchinskaja: niet uit gemakzucht, wel vanuit een artisticiteit die haar dicteert om via extreme keuzes tot een ervaring van ‘waarheid’ in de muziek te komen. In het door Dohnányi gearrangeerde ‘Coppelia’ van Delibes komt dat bijvoorbeeld schitterend tot uiting. De pianiste ontwikkelt een gevoel van noodzaak binnen het korte narratief, waar ze voldoende materiaal uithaalt voor een lezing die elke salonfähige notie achter zich laat.

Geen fait divers dus op deze cd, die eigenlijk is opgebouwd rond werk van Poulenc, Bartók en Ravel. Het bindmiddel tussen hun bijdrages berust op de figuur van Jelly d’Arányi, maar interessanter dan dat anekdotische aspect is de eenheid die beide uitvoerders weten te creëren met werken die stilistisch zo ver uiteen liggen. Ravels ‘Tzigane’ is alleszins geen demonstratie van het vermogen van een componist om uitheemse kleuren te incorporeren in een eigen taal, want Kopatchinskaja construeert een hertaling naar haar eigen roots via Ravels intense materiaal.

Bartóks tweede vioolsonate wordt dan weer geboren uit een drang om tot een nieuwe uitdrukkingsvorm te komen, opnieuw wars van elke modegril. Wie Kopatchinskaja in het verleden heeft afgedaan als een poseur, zat er met andere woorden ver naast. Door Bartóks sonate vanuit haar hyperpersoonlijke jargon open te breken, bereikt de violiste een compromisloze zeggingskracht die op haar lezing afstraalt. En niet minder indrukwekkend is ten slotte Poulencs vioolsonate, een te weinig opgevoerd juweel. Het is allesbehalve een knieval voor het publiek, maar dat zij dan maar zo. De wetenschap dat authentiek kunstenaarschap juist en zuiver is, spreekt immers uit elke seconde van de opvoering.