Pyotr Ilyich Tchaikovsky, ‘Symphony No. 6 – Pathétique’

Verheerlijking van een zelfmoord?

In essentie komt de reeds jarenlang aanslepende discussie tussen pleitbezorgers van de hedendaagse en de historische uitvoeringspraktijk neer op de vraag wat uitvoerders zich kunnen veroorloven. Moeten interpretaties zoveel mogelijk proberen terug te gaan naar de wijze waarop de componist zijn partituur zelf zou bedoeld en beleefd hebben? Of is het veeleer de plicht van musici om de overlevering zoveel mogelijk te hertalen naar onze wereld vandaag, weliswaar zonder de brontekst flagrant oneer aan te doen?

Voor Teodor Currentzis is bovenstaande eigenlijk geen onderwerp voor debat: hij is een kunstenaar in het hier en het nu, en probeert zijn werk dus te richten op een hedendaags paar oren. Alleen al opnametechnisch is dat duidelijk: de precisie waarmee de lage registers werden vastgelegd en de plaats die ze krijgen in de geluidsmix, wijst erop dat de dirigent mee aan de knoppen moet hebben gezeten. Currentzis laat zich echter niet alleen in de post-productie gelden, want ook als aanvoerder is hij zeer prominent aanwezig. Zowat alle ornament herdenkt hij om tot een eigen narratief te komen binnen deze symfonie. Daarvoor lijkt hij te vertrekken vanuit haar bijnaam, de ‘Pathétique’.

Het is nochtans geen geheim dat die titel op de symfonie werd gekleefd omdat Tchaikovsky enkele dagen na de première in geheimzinnige omstandigheden overleed. Zelfmoord? Voor musicologen blijft het koffiedikkijken, maar de luisteraar hoeft niet veel verbeelding aan te spreken om in het opusnummer een noodlottig afscheid te lezen. Toch is het verkeerd om ook de middendelen in een saus van weemoed onder te dompelen. Mag er nog zuurstof zijn? Mag er nog een zweem positieve levensvisie zijn, een gerichtheid op het leven, hoop? Dergelijke facetten ontbreken hier totaal. Nog erger is evenwel dat Currentzis uit elke porie van de symfonie iets nieuws probeert te persen.

Wat ontstaat door de traditie integraal naar de prullenmand te verwijzen, is een lezing die verdrinkt in haar eigen nadruk op en verheerlijking van zwaarmoedigheid. Zowel het openingsdeel als het afsluitende adagio lamentoso hakken als mokerslagen op de toehoorder in, zodanig dat het effect haast wansmakelijk wordt. De precisie waarmee het orkest de keuzes van haar aanvoerder naleeft, is overigens indrukwekkend – en net daarin schuilt het failliet van deze opname. Hoe fenomenaal de eerste pupiters van MusicAeterna ook vertolken, ze laten zich voor de nieuwlichterij van hun chef spannen, met een quasi onverteerbare ‘Pathétique’ tot gevolg.