Lars Vogt, Paavo Järvi & Wiener Symphoniker, Konzerthaus

Een levensbeschouwing in drievoud

Wist u het al? Met de wereld gaat het niet zo goed. Ook componist Erkki-Sven Tüür heeft daar signalen van opgevangen, ja hij schreef er zelfs een stuk over. Ooit was de Est de frontman van de rockgroep In Spe, vandaag is hij een van de vooraanstaande figuren binnen de klassieke muziek. ECM neemt nieuw werk van hem op, gereputeerde uitvoerders scharen zich achter zijn oeuvre. En voor je het weet ben je te gast in Wenen voor een première van een nieuw opusnummer - met Paavo Järvi en de Wiener Symphoniker als uitvoerende macht, stel je voor.

Tüürs oeuvre functioneert niet zelden op basis van effecten. Het idee voor ‘Sow the wind’ was repetitieve cellen almaar verder laten aanzwellen, als metafoor voor de kleine onregelmatigheden in ons menselijk handelen die de natuur langzaam doen ontsporen. Veel slagwerk, het orkest benaderd in grote blokken, een eerder atmosferische dan gerichte aanpak: de taal is niet diegene van een componist die logischerwijs met de traditie communiceert. Dat ze behapbaar is voor een groter publiek, moet evenwel als een troef worden gezien.

Nogal brutaal introduceert Tüür aan het slot drums, alsof hij illustreert hoe de entertainmentindustrie de mondiale problemen negeert. Uiteindelijk luiden zelfs de doodsklokken, om te eindigen in een aanhoudende toon. Een ziekenhuis-beep, uit een kamer waar net iemand de pijp aan Maarten heeft gegeven? Beeldend is Tüürs werk zeker, muzikaal geïnspireerd niet altijd. Niettemin bleek dit werk als aperitief zeker op zijn plaats.

Tegenover de dystopie de utopie: Mozarts 'Jeunehomme'-concerto spreekt immers van een zorgeloze wereld. Van solist Lars Vogt moet gezegd dat hij meer een interpreet is dan een estheet. Niet toevallig staat hij steeds vaker als dirigent op de bühne. Aan visie en humor ontbrak het hem in zijn lezing niet, wel aan precisie. Een breekbare cadens in de tweede beweging was zijn moment de gloire, want in de hoekdelen struikelde hij over zijn goede bedoelingen.

Järvi is net als Vogt iemand die houdt van artistieke kwajongensstreken. Hij bezag de partituur onder de loep der dramatiek, kortom het werd een lezing vol scherpe kantjes. Ongelijke inzetten met het klavier en vooral de weinig evenwichtige solist maakte van deze uitvoering evenwel geen hoogtepunt. Dat Vogt meer in zijn mars heeft, demonstreerde hij in een van Schuberts 'Moments musicaux'. Als er iemand niets meer te leren heeft over glimlachen via muziek, dan is het deze toetsenist.

Tenslotte stortten Järvi en de Wiener Symphoniker zich op bladzijden van een ander kaliber. Dat Strauss' 'Also sprach Zarathustra' niet zo heel vaak op de affiche staat, heeft zo zijn redenen. En nee, aan de componist ligt het niet. Wel aan de complexiteit van het werk, dat alleen in een organische uitvoering haar uiterlijke moeilijkheidsgraad overstijgt en gevoelsmatig diep raakt. Bij momenten wist de Wiener Symphoniker inderdaad voorbij de façade te geraken. Elders bleef het palet aan stemmen echter een mathematische optelsom van partijen.

Luister naar een referentieopname, en de verschillende stemmen bouwen samen een groot weefsel op, een eenheid groter dan diegene die de individuen kunnen bereiken. Zoals gezegd waren er momenten van fascinerende transcendentie, maar het tegendeel was er ook: kleine onzuiverheden, een gebrek aan direct contact en Järvi's neiging tot lichte overdrijvingen. Zodoende werd deze ‘Also sprach Zarathustra' geen onvergetelijke bekroning, hoewel de lezing genietbaar bleef. Een woord dat eigenlijk het ganse concert gold.