Koninklijk Concertgebouworkest & Franz Welser-Möst, BOZAR Brussel

De klank van ’s werelds adem

Franz Welser-Möst? Die geniet waarschijnlijk meer bekendheid als knuffelbeerdirigent tijdens het nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker anno 2013 dan als chef van het Cleveland Orchestra. Daarnaast is de Oostenrijker een graag geziene gast bij diverse Europese orkesten. Zo ook het Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam, dat Welser-Möst momenteel als dirigent én arrangeur een podium biedt.

Met een adaptatie van Beethovens ‘Große Fuge’ ging het concert van start. Waarom echter dit opus 133 hertalen voor een uitgebreide strijkersbezetting? De eenzaamheid van de stemmen, die elkaar in kamermuzieksetting afwisselend koortsachtig zoeken en zich angstvallig aan elkaar vastklampen, verandert immers ingrijpend van karakter wanneer men de afzonderlijke partijen aandikt.

Waar was doorheen deze bewerking de kwetsbaarheid, de geworpenheid, of nog: de muzikale afbeelding van de condition humaine? Waar de bijtende verlatenheid, het omvattende duister dat Beethoven met fugatische orde tegelijk uitdrukt en bezweert? Welser-Mösts herwerking zat weliswaar knap in elkaar, maar meer dan een goedbedoelde vingeroefening was deze introductie eigenlijk niet.

Beethoven deelde de affiche met de eminente Jörg Widmann. In diens ‘Babylon suite’ heeft de componist de Babylonische spraakverwarring opgevat als een kluwen waarin hoge en lage cultuur samenkomen, onder de vorm van zowel volkse als intellectuele stemmen. De partituur is een amalgaam van walsmuziek, klezmer, jazz- en variété-invloeden, tot en met brass, harmonie- en filmmuziek – doorgaans taboes binnen de symfonische wereld.

Zoals wel vaker weet Widmann de sonoriteit van alle instrumentengroepen maximaal te benutten, slagwerk incluis. In feite laat de partituur zich beluisteren als een vernuftige poging om de jachtige adem van het leven zelf in muziek te capteren. De passage waarop de blazers in een onderling gekir ontsteken simpelweg door lucht door hun instrumenten te blazen, maakt overigens manifest hoezeer de componist bijzondere speeltechnieken niet als curiosum aanwendt, maar in functie van hun kleur.

Widmann destilleert in eerste instantie geen nieuw ‘centrum’ uit de ontelbare stijlen. Hij presenteert ze naast en door elkaar, in een streven om het oud-testamentische Babylon als een esthetische kakofonie te ontleden. Uiteindelijk ziet echter een min of meer consistente smeltkroes het licht, waarin de vele folkloristische timbres een plaats krijgen.

Hoewel de suite bijzonder rijk georkestreerd is, duurt ze een fractie te lang. De ware triomf werd dus toch Beethovens vijfde symfonie. Tegenwoordig is het bon ton om 18e eeuwse uitvoeringsprincipes op het vroeg-romantische repertoire te enten, maar de aanpak van Welser-Möst was schatplichtig aan een andere traditie, met name die van de grote dirigenten uit de 20ste eeuw. Is conservatisme in Oostenrijk hardnekkiger dan elders in Europa?

De zogenaamde Noodlotsymfonie kreeg niettemin geen oubollige lezing. Een zweem van triomf, onder meer opgewekt door een groot strijkersapparaat, liep doorheen de ganse uitvoering. In de tussenspelen zocht en vond Welser-Möst echter poëtische zachtheid. Deze passages werden evenwel niet omwille van het contrast opgezocht, maar vanuit het idee dat ook introspectie onderdeel is van een allesoverstijgende vreugde.

Geen tranerige tweede beweging dus, en al evenmin hyperkinetisch getouwtrek doorheen het derde deel. Wel een homogene en subtiele vijfde symfonie, niettemin blakend van vitaliteit. Alles wieder gut – jazeker!