Franz Schubert, ‘Winterreise’

Naar het heden via het verleden

Dat muzikanten terugkeren op hun eigen keuzes: in de pop is het uitzonderlijk, maar binnen de jazz en de klassieke muziek gebeurt het regelmatig. Meestal gaan daar een paar decennia overheen, maar Mark Padmore heeft al veel eerder het licht gezien. Zo nam hij nog maar enkele jaren geleden Schuberts drie grote cycli op aan de zijde van Paul Lewis, een pianist die zich aan het begin van zijn carrière met Schubert had geprofileerd.

Lewis is iemand die perfect aanvoelt hoe hij het extreme binnen het conventionele idioom van de componist kan uitlichten. Interpretatieve vrijheid is een centrale pijler binnen zijn muzikale denken, maar net dat interesseert Kristian Bezuidenhout slechts matig. De Zuid-Afrikaan heeft integendeel voeling met de historische dimensie van de uitvoeringsprakijk, zij het niet als een dogmatisch denker die verdedigt dat de enige ‘juiste’ manier om muziek uit te voeren diegene is die terugvoert op hoe de componist zijn werk zelf gehoord heeft.

Het is er Bezuidenhout om te doen dat historische instrumenten qua toucher en zinsbouw beter kunnen articuleren wat er in de partituren staat, en vanuit die optiek gewoon een logischer keuze zijn om muziek naar het ‘nu’ te vertalen. Hij beschouwt klassieke muziek dus niet als een artefact dat de tijd tot stilstand dwingt, niet als een onveranderlijk iets dat van het publiek kan eisen dat het met oude oren luistert. Integendeel gaat Bezuidenhout er van uit dat melomanen vandaag maximaal kunnen ontroerd worden als de weerstand tussen partituur en luisteraar verdwijnt, en daarvoor grijpt hij naar historische instrumenten. Hij wijst de ervaring van de muziek in het heden dus niet af, maar omarmt haar via de noodzakelijke voorwaarde van historische instrumenten.

Bezuidenhout dus. Zijn begeleidende partijen zijn dienend en evocatief: ze onderstrepen niet zozeer de emotie die Padmore rauw en eerlijk overbrengt, maar vormen een beeldend kader van waaruit het gevoel ontspruit. De alomtegenwoordigheid van de natuur, dat tastbare gegeven van waaruit Müller de existentiële twijfel, de wurggreep van een diep verdriet en de macabere aanwezigheid van de dood gestalte geeft, komt in deze opname ongeëvenaard naar de voorgrond. Noch Padmore, noch Bezuidenhout leiden de dans, want die wordt geleid door de tekst, en door het weefsel van consonantie waarmee Schubert de vragen van Müller voorbij de taal gethematiseerd heeft.

Wordt liedkunst ooit meer indrukwekkend? Allicht niet.