Berliner Philharmoniker, Andris Nelsons & Baiba Skride, Philharmonie Berlin

Dirigent, duivel, danser, dienaar

En of Duitsers traditie hoog in het vaandel dragen! Precies honderd jaar geleden ging Richard Strauss' 'Eine Alpensinfonie' in première. De honderdste verjaardag van het inmiddels legendarisch geworden werk viert de Berliner Philharmoniker met een live-uitvoering onder auspiciën van de Let Andris Nelsons. Die bracht op zijn beurt zijn landgenote Baiba Skride mee naar Duitslands voornaamste muziektempel. Shostakovich' eerste vioolconcerto werd dankzij de beide gasten een langgerekt lamento, met te verwachten gedienstigheid uitgevoerd door een immer performant en gepassioneerd orkest.

Duidelijk was dat Skride niet het pad van het solistische sterrendom wou bewandelen, althans niet via deze partituur. Waar menig violist in het eerste deel de contrastrijke verscheurdheid, die door muziekhistorici niet zelden biografisch wordt geduid, als een worsteling weergeeft, gedijt Skride veeleer op het gerafelde, grimmige harmonische en melodische weefsel van de muziek. Groot was het verschil tussen het innige eerste deel en het hartstochtelijke tweede, dat een ware eruptie van uitzinnigheid werd.

Nelsons verschoot zijn pijlen hier echter niet te snel. Hij wachtte geduldig af en bouwde met mondjesmaat een spanning op, waarvan de luisteraar voelde dat de uitkomst aan iets onbestemd-krankzinnig zou grenzen. Inderdaad, eenmaal de teugels in het scherzo werden gevierd, was er geen houden meer aan. Demonische extase en een rilling van ijskoude ontnuchtering, dank u wel.

Het verdere discours van de lezing was evenzeer van een uitzonderlijk intensiteit. In beide slotdelen nestelde Skride zich diep in de buik van het orkest, dat haar ongewoon lyrische aanpak uitdaagde met priemende uitvallen. In haar lange cadens leek de soliste aanvankelijk rond eenzelfde centrum te blijven cirkelen, daar waar andere solisten meestal op zoek gaan naar evolutie en drama. Skride voelt daarentegen aan dat uitstel de catharsis alleen maar doet rijpen. Het culmineren kwam er dan ook, en wel in een moment dat groots en lijdzaam was en tegelijk van een verrassende kwetsbaarheid. Wie die twee schijnbare uitersten met elkaar kan verbinden, moet Shostakovich wel goed begrepen hebben.

De verjaardagskaarsen moesten naderhand nog uitgeblazen worden. Niet gespeend van ironie zei Strauss ooit over zijn werk dat hij de manier had willen verklanken waarop een koe haar melk geeft. Met minder humor, maar met des te meer quasi kinderlijk genoegen ging Nelsons het opus 64 te lijf, waarbij de prachtige plaatjes elkaar afwisselden. De dirigent oversteeg het programmatische van de muziek, voor zover dat mogelijk is. Zijn visie bleek in de lijn te liggen van de lezing van Mahlers zesde symfonie die vorige maand op het Musikfest te horen was. Ook nu weer was er een buitengewone detailzucht, die evenwel niet pathetisch werd aangewend. Alles stond immers in het teken van het vieren van de Alpen, het bezingen van 's natuurs weelde en met dat idee als kapstok het fêteren van klank als landschap van mogelijkheden.

Het was eigenlijk de Alp van de orkestrale potentie die Nelsons over moest. Hij voleindigde zijn queeste zonder overdreven risico's en zonder uitdrukkelijke hang naar mystiek, maar met al het kabaal dat in de partituur staat. Geholpen door onweerstaanbare kopers, onverzettelijke houten en onvergelijkelijke strijkers. Oorverdovend? Jazeker. Overdonderend? Dat ook. Geniaal? Zo goed als. Alleen een uitvoering op 3000 meter hoogte had de avond nog extra luister kunnen geven - vergeef het een simpele ziel als die nog ergens van dromen wil, oké?