Beethoven-Zyklus, dag 4

De mens gecomponeerd

Van al Beethovens symfonieën is de vierde niet de meest in het oog springende. De enige reden daarvoor is de uitzonderlijke kwaliteit van Beethovens integrale symfonische oeuvre. Aan deze vierde zou een willekeurig componist aan het begin van de negentiende eeuw namelijk genoeg gehad hebben om onsterfelijk te worden. Het betreft immers niet alleen een symfonie van een schier ongelofelijke perfectie, maar een regelrechte viering van het humane vernuft waar de geest - en de geest alleen! - aanleiding toe kan geven.

Ondertussen, op dag 4 van wat een volledige Beethoven-cyclus wordt, die Sir Simon Rattle in Berlijn en omstreken met pertinente zekerheid (evenzeer) onsterfelijk zal maken, tekent zich een gemene deler van zijn geaffectueerde, uiterst bezielde en tegelijk tot in de puntjes beredeneerde aanpak af. Transparantie is een eerste sleutelwoord. Zonder met de intrinsieke coherentie van het materiaal te knoeien, werpt de dirigent een licht op de fijnste details, die als vanzelf hun weg vinden naar de totaalervaring van de symfonie - welke het ook zij.

Bovendien komt de Berliner Philharmoniker, dat keer op keer haar status als internationale nummer één alle eer aandoet, avond na avond tot een unieke versmelting van majesteitelijke grandeur en ingetogen raffinement. Ook in de uitzonderlijk delicate lezing van de vierde kwam deze troef tot uiting. Hoe Rattle vanuit een enigmatische, zachtaardige aanvang tot een excellent gebalanceerde uitbarsting van levensvreugde kwam: alleen al het eerste deel maakte van dit concert een ware revelatie. Ook in de tweede beweging deden musici en dirigent de harten eerst smelten, om ze vervolgens sneller te laten kloppen.

Wat volgde, was de bekroning vanuit onbestemde melancholie geboren positiviteit, die zich ongebreideld verderzette in de zevende symfonie. Want als Beethovens ergens het leven grenzeloos heeft gefêteerd, dan wel in zijn opus 92. Het is een zoveelste ijkpunt onder zijn symfonieën, een partituur waarin alles in het teken staat van het hoogste en het beste – trouwens niet als intellectuele noemers te verstaan. Met fors aangezette bassen - wat een contrabassectie toch, en dan nog twee uit de kluiten gewassen contrafagotten, einfach wunderbar! - een nadrukkelijk streven naar retoriek en vooral heel veel humor, bewoog Rattle zich doorheen deze mijlpaal.

De algemene teneur werd daarenboven nimmer overschaduwd door de gekunstelde zwaarmoedigheid die sommige dirigenten erin opzoeken. Ook het tweede deel werd perfect gekaderd als zijnde een ontvouwing van onbevlekte, ongenaakbare pracht, vanuit een verzuchten dat geen mens - gelukkig of niet - allicht vreemd is. In het slotdeel vergastte het orkest het publiek ten slotte op het muzikale equivalent van een onmogelijk te koelen lavastroom. Wie het daar niet warm van kreeg, is eenvoudigweg niet menselijk.

Jazeker, na verloop van tijd leek de zaal te klein te worden voor wat zich hier in al zijn tijdloze grootsheid manifesteerde. Niet alleen het dak, ook het hemelgewelf moet meegetrild hebben met de resonantie van een verwezenlijking zo intens, zo overweldigend, zo buitengewoon. Een trilling die zich overigens inwendig verderzette, in het diepste zelf dat men enkel via de kunst kan leren kennen. Een woordeloos 'ik', een algemeen mens zijn - een extreem individuele ervaring, ver voorbij het zelf. Tot ons. Of zoals een bevredigd bezoeker het treffend stelde: ‘Beethoven heeft gewoonweg de mens zelf gecomponeerd’. Nou, ja. Wat zeg je daarop? Amen.