Beethoven-Zyklus, dag 3

Gradaties van goddelijkheid

Er wordt wel eens beweerd dat Beethovens symfonieën als duo’s zijn ontstaan. Alsof genialiteit alleen in koppelvorm komt. Tegenover de mensoverstijgende grandeur van de vijfde immers de onvervalste natuurmystiek van de zesde. Naast de waterval aan spitsvondigheden van de zevende, een heldere, bescheiden achtste. En, voor wie van goede wil is als het op dit soort raadselachtige verwantschappen aankomt, aan de grandioze derde de voetnoot die de vierde is.

Gesteld dat bovenstaande opgaat, stonden op de derde dag van de Beethoven-integrale in Berlijn dan twee zeg maar ‘kleinere’ werken naast elkaar, twee partituren die immer in de schaduw moeten blijven van een grotere broer? Nou nee, dat zou een verkeerde inschatting zijn. De zesde is immers immens in haar bezingen van 's werelds veelkleurige pracht, de achtste reusachtig in haar efficiënt aanwenden van al bij al eenvoudige middelen. Wat heet bovendien ‘klein’ of 'ingetogen', wanneer Beethovens genie het heeft aangeraakt?

Van die bewuste minuscule achtste maakte Rattle bijvoorbeeld een grote – zonder omhaal. Een waarin de Brit zich bovenal als een humorist toonde, iemand die het materiaal van de groten niet zo serieus neemt dat hij het slapstick-karakter ervan onder de mat veegt. Integendeel liet de Berliner het werk horen als wat het daadwerkelijk is: een heerlijk tegendraads statement van protest tegen de geplogenheden van het symfonische genre, dat deze keer als vanouds geïnspireerd aandoet.

Net in die meer conventionele inkleuring van de symfonie als dusdanig, viert Beethoven al zijn creativiteit bot. En precies zoals de vorige dagen naaide Rattle ogenschijnlijk (lees: orenschijnlijk?) conflictuerende elementen naadloos aan elkaar. De achtste werd zodoende een illustratie van plezier, een proeve van kunde, een confirmatie van meesterschap. Van zowel de componist als de dirigent als de muzikanten.

En dan de 'Pastorale'! Wie gelooft dat de Britse roots van Rattle betekenen dat hij met het rustieke ideaalbeeld van de ‘Szene am Bach’ niet overweg kan, die bleek zich lelijk te vergissen. Bij aanvang ontvouwde de Berliner zich alsof het het zoetste wiegenlied betrof, om vanuit die gesteldheid van rurale vredigheid een minzaam besef van ontwakende natuurkrachten tot ontwikkeling te brengen. De introductie was niet minder fonkelend - alsof Rattle het materiaal voor het werk, ruw maar immer trefzeker, uit de glinster van amorf kristal ontgon.

De boerendans werd vervolgens een exempel van ontwapenende folklore, opgetild richting tijdloosheid. Een zucht van verlichting, die een onafwendbare storm vooraf ging. En ineens ontbonden orkest en dirigent hun duivels. En hoe! Zelfs buiten, in de gietende regen, bleef men gevrijwaard van het imaginaire stortbad dat de luisteraar in een mum van tijd doorweekte. Maar we weten allemaal wat er na regen komt. Inderdaad, zonneschijn, klaar om al het aardse in haar onbevangen licht te verenigen.

Ja, dat is precies wat deze zeldzame momenten van buitengewone schoonheid doen: ze maken de individuele luisterervaring ongedaan, waarbij die terstond oplost in een ervaring van kosmische verbondenheid. Met mensen evenzeer als met noten. Noten die - misschien net als mensen? - pas betekenis krijgen als ze in relatie staan tot een ander. Wat zijn bijvoorbeeld hobo, fluit, klarinet en fagot zonder elkaar? Veel minder dan de som van de delen. Jazeker, de Heilige Drievuldigheid is in de Duitse hoofdstad Viervuldig geworden. Over gradaties van goddelijkheid gesproken: hier betreft het naar alle waarschijnlijkheid de hoogste!