Beethoven-Zyklus, dag 1

Uit het hoofd, uit het hart

Soms zegt één akkoord het allemaal. Het eerste akkoord van Beethovens eerste symfonie bijvoorbeeld - een dissonant die vaarwel zegt aan de symfonie zoals die tot eind 18e eeuw had bestaan. Ja, in dat akkoord ligt het bankroet van het vormvaste genrestuk besloten, in dat akkoord huist het failliet van de doorwerking als verzameling goocheltrucs met het thematisch materiaal.

Dat akkoord baart immers de bevrijding die de symfonie toelaat om doorheen de 19e eeuw almaar verder te groeien, tot een noemer waar geen limieten van tijd en omvang meer lijken aan vast te hangen. Dat akkoord is de eerste vibratie van wat een amalgaam aan nieuwigheden wordt, en hoor! Niemand minder dan Beethoven smeedt het ijzer, luister, het glimt, het gloeit! Het is een dissonant die de gelofte van werelden in zich draagt. Negen kosmische vertellingen, opgetrokken uit de ontelbare resonanties die al in de eerste seconde van die bewuste eerste symfonie weerklinken.

Elke integrale cyclus van Beethovens symfonieën behoort in principe met die dissonant te beginnen. Om de symbolische waarde. Maar ook omdat de eerste symfonie uitstekend schetst hoe Beethoven, kind van zijn tijd, op dat moment al staat te trappelen om aan zijn tijd te ontsnappen. Is de humor van het laatste deel klassiek van opzet en schijnbaar schatplichtig aan Haydn, dan is het roekeloze menuet een proefje van Beethovens oor voor oorwurmende melodieën.

De energie die wordt ontketend, terwijl de lyrische pool nooit helemaal wordt veronachtzaamd (hoewel hier en daar ironisch benaderd): als een meester verbindt het dan nog jonge genie licht met donker. Ook de eerste twee delen baden overigens in dat weergaloze clair-obscur, in een geheimzinnig spanningsveld waar een zachte bries doorheen waait.

Een goeie uitvoering van Beethovens eersteling durft die tegenstellingen eenvoudigweg met elkaar verbinden. Zo weet ook Sir Simon Rattle, die deze week alle symfonieën van Beethoven dirigeert, als aanvoerder van zijn Berliner Philharmoniker dan nog wel. De Britse dirigent weet hoe hij avontuur moet boetseren uit het ballet van noten. Zijn interpretatie was inderdaad een dans - het pas de deux van de revolutionair met de traditie.

Revolutie? Juist ja, daar hoort Beethovens derde symfonie bij! De 'Eroica' markeert immers definitief het einde van het juk van de symfonische vormprincipes, met de extreem lange doorwerking in de eerste beweging of de langzame dodendans als treffende illustraties. Dat Rattle de reeks van negen niet chronologisch uitvoert, is overigens niet verwonderlijk. Gezegd moet dat de eerste en de derde in ieder geval uitstekend samengaan. Is ook het opus 55 immers geen weergaloze bloemlezing van contrasterende affecten?

De ongebreidelde energie vierde Rattle in de eerste minuten, om met het macabere tweede deel tot een zinderende stilstand te komen. Weliswaar een stilstand in beweging, want de motor van Beethovens genie valt nooit stil. Als tegengewicht voor het tweede deel is er het extatische derde, dat de Berliner als een explosie over de zaal deed neerdalen. Alles komt tenslotte samen in de finale, waar entiteiten die elkaar in alles zouden moeten tegenspreken, simpelweg één worden. Deze synthese zetten Rattle en kompanen ook in de stellingen, eenvoudigweg door de muziek zijn pure zelf te laten zijn.

Pure melancholie naast pure vreugde. Existentiële eenzaamheid en enorme extase, gevangen in de lasso die Rattle's baton is. Overigens uit het hoofd gedirigeerd. Of, wacht, hier bedient het Frans de waarheid op zijn wenken: par coeur.