Simon McBurney: 'Alles bestaat bij de gratie van een gedeelde verbeelding.'

Interview met Simon McBurney: 'Alles bestaat bij de gratie van een gedeelde verbeelding.'

De Britse acteur en regisseur Simon McBurney neemt ons met ‘The Encounter’ mee naar de etymologische wortels van het woord ‘audience’. In de Singel zul je immers vooral luisteren. Naar het verhaal van fotograaf Loren McIntyre, neergeschreven door Petru Popescu en op zijn beurt op scène gebracht door McBurney en zijn gezelschap Complicite. ‘The Encounter’ staat voor een immersieve audio-ervaring die u laat kennismaken met de bron van de Amazone en de vele vertakkingen van het bewustzijn. Overal ter wereld lokt deze performance volle zalen en lovende kritieken. Cutting Edge probeert te achterhalen hoe dat komt.

Het toneelbeeld van ‘The Encounter’ is eerder beperkt. Naast jouw aanwezigheid en een aantal props valt er weinig te zien. Toch trekt één voorwerp alle aandacht: de ‘binaural head’, een dummy met ingebouwde microfoons die het geluid opnemen zoals het menselijke oor het omgevingsgeluid capteert. Wanneer zag je in dat zo’n dummy op het podium visueel interessant kon zijn? 

Zijn aanwezigheid is extreem raadselachtig. En natuurlijk begint zoiets ook steeds meer een eigen leven te leiden. Het kreeg een eigen karakter en zelfs een eigen naam. 3D-geluid of stereofonisch geluid bestaat in feite al lang en er is reeds veel mee geëxperimenteerd. Oorspronkelijk – op het einde van de 19e eeuw – probeerde men hiermee de kwaliteit van geluidsopnames in grote openbare ruimten na te gaan, in de plaats van iemand op te dragen om ergens te gaan staan en te luisteren en dat vervolgens door te vertellen.

Later, in de jaren 1960 en 1970, gingen anderen daarmee aan de slag, zoals bijvoorbeeld Brian Eno. Maar om te kunnen horen wat een hoofd echt hoort, heb je altijd een hoofdtelefoon nodig. Als je 3D-geluid op een plaat zet bijvoorbeeld, dan zal het niet helemaal correct ‘vertaald’ worden.

Ik kwam er voor het eerst mee in aanraking toen ik twee Zweedse performers – Christer Lundahl en Martina Seitl – leerde kennen. Zij gebruikten deze techniek voor een tentoonstelling in Londen. Ik was zelf erg geïnteresseerd geraakt in de relatie tussen wat je ziet en wat je hoort in het theater. Waar ‘The Encounter’ voor mij initieel over ging, was enerzijds een onderzoek naar het bewustzijn en de manier waarop een mens denkt, maar anderzijds is er natuurlijk ook het verhaal achter het gelijknamige boek dat gaat over die journalist die een voorheen onbekende stam leert kennen in het Amazonewoud, waarna plots alles wat hij dacht te begrijpen, op de helling komt te staan.

Wat mij hierin vooral interesseerde, is de vraag hoe wij de wereld denken te zien. Ik wou daar een fysieke ervaring van maken en niet alleen een intellectualistisch discours. Ik wou dat het werkelijk ervaren werd en dat je gewaar werd hoe zo’n ervaring inwerkt op je bewustzijn, je hoofd en je lichaam. Als mens hebben wij daar vaak sterke overtuigingen over. Daar wilde ik vragen over stellen.

McIntyre deelde geen enkele taal met de stam waarmee hij samenleefde. In de plaats daarvan ondervond hij wel telepathische communicatie, uitgeoefend door de stamoudsten. Zou je dat telepathische vermogen durven vergelijken met de rol die jij opneemt in de voorstelling?    

Wel, ten eerste denkt het overgrote deel van de mensheid dat er niet zoiets bestaat als telepathie, dat het alleen maar een illusie is. Non-verbale communicatie daarentegen varieert naargelang de situatie waarin je je bevindt, de aandacht die je eraan besteedt en ook de intentie van wat je misschien probeert over te brengen. Ik wil daar echter niet te lang over uitweiden, dat moet je voor jezelf uitmaken wanneer je naar de show komt kijken.

Het gaat over meer dan alleen dat voor mij. Wat ik doe op het podium, is niet proberen in de geest van het publiek te kruipen, maar wel om de verbeelding van mensen aan het werk te zetten en hen in relatie te brengen met andere mensen. Bijvoorbeeld: ik probeer jou te doen nadenken over je eigen, zogezegd onafhankelijke zelf, maar je steekt misschien ook zelf die grens over en belandt in andere delen van jezelf. Je bent wel jezelf, maar je bent ook het kind van je ouders, een broer voor je broers en een deel van een samenleving. Dat bepaalt allemaal samen wie je bent. Je bent maar wie je bent via de relatie met anderen.

In ‘The Encounter’ is de immersie totaal. Het publiek wordt met behulp van hoofdtelefoons helemaal ondergedompeld in een narratief dat jij voor hen uittekent. Krijg je evenveel terug van het publiek als bij een andere voorstelling?  

Zeker, misschien wel nog meer. Ik voel hen. Ik heb natuurlijk zelf ook een hoofdtelefoon op en alle geluid uit de zaal wordt ook opgenomen door ‘het hoofd’, waardoor ik niet alleen hen, maar zij ook zichzelf kunnen horen. Door dat hoofd herkennen ze niet alleen zichzelf, maar horen ze dat ook als een geluid uit de verte. Het zorgt voor een hele rare gewaarwording van zowel in het publiek te zitten als op het podium waar alles gebeurt. Toch is dat niet het hoofddoel van de voorstelling voor mij. Er is ook zeker niet één verhaal dat moet worden gecommuniceerd.

Ik wil hen wel meenemen op een reis, waarin technologie zelfs volledig irrelevant wordt. Ik hoop dat het publiek dat op den duur gewoon vergeet. Het medium en de boodschap kunnen, voor mij althans, absoluut niet los van elkaar gedacht worden. Ze zijn hetzelfde.

We spreken binnen het team ook nooit over een soundtrack, omdat alles gewoon in het moment ontstaat. Er zijn natuurlijk wel cues en micro’s enzovoort, maar het is een proces dat laagje voor laagje ontstaat. Er wordt een verhaal verteld, maar het wordt voor een groot deel door het publiek zelf vormgegeven. Een verhaal waarin elk voor zich bepaalt hoe ver hij meegaat in die reis. Aangezien het ook een persoonlijk verhaal wordt, zullen sommigen de reis misschien vroegtijdig staken.

Je vertelde ooit dat je vader een archeoloog was die op zoek ging naar de oorsprong van de mens. Zie je jezelf als een erfgenaam van zijn werk?

Zeker. Ik ben me ervan bewust hoe ver mijn vader nu is. Hij stierf in 1979, toen ik nog vrij jong was. De indruk die zoiets nalaat, verandert doorheen de tijd. Een van de dingen die ik doorheen de jaren heb gemerkt, is dat ik minder verbaasd ben over het feit dat de tijd sneller gaat dan dat het verleden dichterbij komt. Dus ja, ik heb nu een hernieuwde relatie met mijn vader, maar ik ben ook zelf geëvolueerd natuurlijk. Ik ben een erfgenaam in de zin dat ik een dialoog heb opgestart, die weliswaar anders zou geweest zijn mocht hij nog hebben geleefd. Soms twijfel ik aan zijn mogelijke reactie op mijn werk, maar ik denk dat hij het bijzonder zou hebben gevonden dat ik ook bezig ben met te zoeken naar wat ons als mensen verbindt, eerder dan waarin we verschillen van elkaar. 

We leven in een tijd met bijzonder veel extremen. Een daarvan is hoe wij denken over ons dagelijkse leven. We leven zó gescheiden van elkaar, terwijl alles voortdurend opnieuw bedacht wordt voor  een mens die met alles en iedereen verbonden is. Tijdens de 20e eeuw werden we aangemoedigd om te geloven in dat individualisme, dat hoger aangeschreven staat dan om het even wat. Maar ten gevolge daarvan, zijn we de vaardigheid verleerd om werkelijk met elkaar te verbinden.

'België bestaat niet.'

Bovendien zijn sommige ‘verbintenissen’ in de recente geschiedenis vaak eveneens extreem gebleken, extreme narratieven. De natie-idee bijvoorbeeld. Men laat ons geloven dat er landen zoals België of het Verenigd Koninkrijk bestaan. Het is echter allemaal zo geconstrueerd dat je je er maar al te bewust van wordt dat het narratieven zijn. België bestaat niet. Ook het Verenigd Koninkrijk niet. Het bestaat nergens, behalve in onze gedeelde verbeelding. Het zijn slechts verhalen. En veel van die verhalen zijn – zeker in het geval van het Verenigd Koninkrijk – helemaal vals. We hebben een heel leugenachtige verhouding met ons koloniale verleden en met bijvoorbeeld slavernij. Dat heeft een gigantisch aandeel in ons verleden en onze rijkdom. Maar het bestaat niet echt in onze geesten, omdat het geen aantrekkelijk narratief is en dus ook niet gepromoot wordt.

Om terug te keren op je vraag… de manier waarop we dus leven, gescheiden van elkaar – bijvoorbeeld tussen onszelf en de doden, tussen naties, tussen mannen en vrouwen – wekt een urgente vraag op en in het bijzonder de manier waarop we ons afschermen van het moment waarin we leven. Hoe doen we dat? Het antwoord is heel simpel: via massaconsumptie. Om dat efficiënt te laten zijn, moet je iets zien en dat willen. Het moet in de toekomst liggen. Dat koop je vervolgens, waardoor het alweer direct in het verleden ligt en je iets nieuws moet consumeren. Daardoor komt de nadruk te liggen op de nabije toekomst en het recente verleden. In zulke omstandigheden geraakt het heden weggemoffeld. De idee dat we voorbij onze eigen generatie moeten denken, geraakt verbannen. De idee dat we van een heel diepe plaats afstammen en deel uitmaken van de continuïteit, wordt even gemakkelijk afgevoerd.

Dat zijn enkele van de drijfveren die me beïnvloeden wanneer ik een performance als deze maak. Maar natuurlijk, wat zit er in de kern van dit verhaal? Het leeuwendeel daarvan heet ‘ik’. Ikzelf, het fictionele gegeven, de vraag wat we geloven en wat we ervaren. Het feit dat alles wat we doen, mee bepaald wordt doordat we fictionele wezens zijn. De vergissing die we vaak begaan, is dat we geloven dat er zoiets bestaat als een onveranderlijke, ultieme werkelijkheid, terwijl dat natuurlijk niet zo is. Alles staat in verband met elkaar. We moeten begrijpen dat we deel zijn van dat creatieproces waarin we verhalen creëren. We hopen ook dat we die verhalen kunnen veranderen en vervangen door betere alternatieven. Voor een stuk door elke dag wakker te worden en te begrijpen dat ons leven niet bestaat uit een onveranderlijke werkelijkheid.

9-12 mei in de Singel

Copyright foto's: Robbie Jack, Chloe Courtney, Gianmarco Bresadola