Roderik Six: Een zwak voor het wassende water

Interview met Roderik Six: Een zwak voor het wassende water

Als Roderik Six me tegemoet stapt in zijn appartement, deins ik even terug, tevergeefs op zoek naar zijn halflange haren. Hij stelt me gerust: ‘Ik ben Roderik’. Tegen een wand ligt de literatuur dijhoog opgetast. De bonte boekruggen bieden ingetogen weerwerk tegen het wit dat monotoon regeert. Op de achtergrond beroert Nils Frahm een piano, hij hult de tonen die hij eraan ontfutselt in een echo die rillingen bezorgt. De intensiteit van de muziek rijmt met de behoedzaamheid die de auteur in zijn woorden slijpt. Hij schrijft met de hand, zo blijkt, woelt in zijn taalregisters tot er staat wat hij wil lezen. Wat niet volstaat, voert hij genadeloos af, al is het met tegenzin. Met de mens heeft hij weinig op: ‘We zijn niet meer dan dieren die elkaar de strot zouden afbijten voor een blik ravioli.’

CE: Je bent al jarenlang intensief begaan met literatuur, onder meer als recensent, auteur van kortverhalen en jurylid van de Gouden Boekenuil. Waar ligt de kiem van jouw boekenliefde?

RS: Ik groeide op in Woesten, een dorpje dat je doorkruist als je van Ieper kustwaarts reist. Het eerste betekenisvolle moment was toen ik ontdekte dat Anne Provoost daar ook had gewoond. Ik besefte dat je niet in de grote stad hoeft te wonen om schrijver te worden. Ondertussen heb ik achterhaald dat er in een stad als Gent veel te beleven valt, zeker als je de literatuur belijdt. Ook Bart Moeyaert heeft me tijdens een lezing, waarin hij bijzonder bedreven is, wakker geschud. Hij is niet te evenaren in hoe hij over zijn auteurschap kan vertellen. Op mijn zestiende was het voor mij onvermijdelijk om schrijver te worden. Door veel te lezen, en te schrijven over dat lezen, is mijn goesting om schrijver te worden verder aangescherpt. Sinds kort werk ik enkel nog als chef boeken voor Focus Knack, wat mijn schrijfprojecten trouwens niet in het gedrang brengt. De spagaat waarin ik al eens dreig te zitten door beide te combineren, baart me weinig zorgen.

CE: Gelijktijdig aan jouw inzet voor de Gouden Boekenuil, schreef je aan ‘Vloed’. Beïnvloedde het een het ander?

RS: Eigenlijk niet, ik was het gewoon om tegelijkertijd te lezen, te recenseren en kortverhalen te schrijven. Ik keek wel naar de technische opbouw van de boeken, naar de vorm van de zinnen ook, maar die aandacht was in feite niet nieuw. Van de driehonderd romans op de leeslijst waren er hooguit een twintigtal die me konden overtuigen, de rest is klaar voor de schroothoop. Mijn grootste angst was dat er een boek zou tussen zitten dat verdacht veel leek op het verhaal dat ik voor ogen had. Ik ben gestopt met de Gouden Boekenuil, omdat het ongehoord is een boek te presenteren aan de jury als je in die jury zetelt.

CE: De roman is behoorlijk defaitistisch, een gevoel dat ook terug te vinden is in de interpretatie van bepaalde maatschappelijke trends. Had je vooraf een thema in gedachten?

RS: In eerste instantie schreef ik een kortverhaal, zonder een bepaald thema voor ogen. Ik wilde een verhaal schrijven over vier mensen die op het dak van een studentenhuis kijken naar het stijgende water. Hun aanpassingsvermogen intrigeerde me. Ondertussen is gebleken dat zij zich verrassend weinig aantrekken van wat hen overkomt. Plots had ik vijftig pagina’s geschreven en was er een dramatische wending. Daarna begon het experiment, trachtte ik te achterhalen hoe een roman werkt. Ik zie het in zekere zin ook als een onderzoek. Ik kan je verzekeren, bandwerk is het niet geworden. Het verhaal heeft geen uitstaans met het ecologische vraagstuk dat zich aan ons opdringt. Ik kies trouwens resoluut partij voor het wassende water. De roman is een ode aan Bill Hicks, een stand-upcomedian. Tijdens de voorstellingen van ‘Arizona Bay’, een van zijn performances, blafte hij de mensen op de eerste rij toe dat het niets uitmaakt of ze nu leven of niet. Niet iedereen kon overweg met die bijtende ironie. Maar het is inderdaad zo dat het verhaal neigt naar het nihilisme, eigen aan onze generatie.

CE: Hoe denk je dat wij zouden reageren als de omstandigheden waarin we leven drastisch veranderen?

RS: Van zodra er ook maar iets gebeurt in onze samenleving zouden de maskers afvallen, zou het laagje vernis dat onze beschaving bedekt verdampen. Tussen de personages is er weinig warmte, hun onderlinge relaties zijn onderkoeld. Uiteindelijk gedragen ze zich wel behoorlijk fatsoenlijk. Ik denk dat het in realiteit anders zou uitdraaien, harder, meer meedogenloos ook. We zijn niet meer dan dieren die elkaar de strot zouden afbijten voor een blik ravioli.

CE: Het boek houdt de anekdote ver voor zich uit. In dat opzicht is Nina’s uitleg over de naamgeving van het studentenhuis behoorlijk concreet.

RS: Het studentenhuis bestaat echt. Het is een aartslelijk gebouw, eind de jaren zestig getekend door misantrope architecten, alsof ze de mensen de daver op het lijf wilden jagen. De studentenraad en de bisschoppen raakten het niet eens over een naam voor het gebouw. Che Guevara, het voorstel van de studenten, sneuvelde voor Torres, naar de in Leuven gewijde Colombiaanse priester Camilo Torres. Vooral het feit dat Torres, die besliste om zich aan te sluiten bij een gewapende groepering, amper een dag na die beslissing het leven liet, sprak me aan. Zo’n mooie anekdote kon ik niet laten liggen. Hoe je ook vastklampt aan het leven, het ultieme verdict is onvermijdelijk. Het maakt trouwens niet uit in welke stad het verhaal zich afspeelt. Daarom geef ik behalve de naamgeving van het studentenhuis weinig mee over de context van het verhaal. Hetzelfde geldt voor de personages. Iedereen moet zich erin kunnen herkennen. Ik schuw onnodige details, want ze zijn nefast voor de leeservaring. Wat niet relevant is, schrijf ik niet neer.

CE: Waarom werkt Ultra, de drug waar de personages zich mee volstouwen, na een tijd niet meer?

RS: Ik heb druggebruik in de roman gestopt omdat ik op die manier fictie en realiteit tegen elkaar kon uitspelen. Het verhaal is grijs, op het zwartgallige af. De drugs lieten me toe kleur te gebruiken, ademruimte te creëren voor de lezer ook. Het was een bewuste keuze om dat aspect van het verhaal te laten uitdoven. Dat was mogelijk, het is een experimentele drug. Het is ook symbolisch: de personages moesten op een gegeven moment de realiteit onder ogen zien. Als alle escapistische routes zijn afgesneden, moet je handelen. Die ontnuchtering is essentieel voor het verhaal.

CE: Je beschrijft de regen in eindeloze variaties, het lijkt wel alsof je er een studie aan hebt gewijd.

RS: Het was voor mij een grote uitdaging een roman te schrijven waarin het onophoudelijk regent. Het is een essentieel gegeven, ik kon er niet om heen. Ik wilde het erin rammen, zodat de lezer drijfnat is van het water. Mijn redacteur trok die keuze in twijfel, maar ik was vastberaden. Ik probeerde het opnieuw en opnieuw te laten regenen, zonder dat het vervelend werd.

CE: De taal triomfeert in ‘Vloed’. Hoe belangrijk is stijl voor jou?

RS: Taal is en blijft het werkmiddel van de schrijver, ik ga er dan ook uiterst omzichtig mee om. Ik schaaf er veel aan, desnoods herschrijf ik een zin vijf keer, totdat alles klopt. In mijn metaforen ga ik op zoek naar originaliteit, in het volle besef dat je niet eindeloos nieuwe metaforen kunt bedenken. Het voelt aan als een noodzaak om zo te schrijven. Aan stijl hecht ik dus veel belang, zonder dat ik een stilist ben. Sommige auteurs schrijven zo bloemrijk dat het verhaal in de verdrukking komt. Dat scenario wilde ik vermijden. Ik heb geprobeerd mezelf in te tomen, af te wisselen door af en toe te opteren voor korte, droge zinnen. Erwin Mortiers laatste boek ’Gestameld liedboek’, over zijn dementerende moeder, vind ik te pronkerig, te zelfgenoegzaam wat het taalgebruik betreft. Begrijp me niet verkeerd, zijn zinnen benaderen de perfectie, alleen verlies je daardoor de voeling met het leed van de moeder. Ik geniet enorm van Haruki Murakami, die er telkens opnieuw in slaagt met slechts enkele woorden opmerkelijke beelden te tonen.

CE: Pas in de allerlaatste zin geef je de naam van de verteller prijs, alsof wat hij meemaakt iedereen kan overkomen.

RS: Het is een naamloos individu, een soort Elckerlijc die symbool staat voor elk van ons. Het is geen held, maar zeker ook geen antiheld. Het lag niet voor de hand dialogen uit te werken zonder zijn naam aan te halen. Onze naam en identiteit leunen dicht tegen elkaar aan, daarom denk ik goed na over de namen van mijn personages. In ‘Vloed’ is er een meisje met een klassieke Vlaamse naam. Dat is uiteraard niet toevallig: ze is betrouwbaar, geeft meer dan ze neemt. Iedereen zou er het buurmeisje in kunnen herkennen. De verteller is finaal aan zet, krijgt het laatste woord. Ik laat het aan de lezer over om naar een verklaring te zoeken; zelf ben ik er nog niet uit wat het betekent.