Nathan Filer

Interview met Nathan Filer

De eenendertigjarige uit Bristol afkomstige Nathan Filer heeft met zijn eerste boek, ‘De schok van de val', meteen een succesverhaal te pakken. Elf uitgevers brachten een bod uit op het manuscript (het werd uiteindelijk Harper Collins) en zowel critici als lezers zijn enthousiast over de roman. Niet zo gek, want het verhaal over Matthew, een psychisch getroebleerde jongen die zich schuldig voelt aan de dood van zijn oudere broer, is ontroerend en bijzonder mooi verteld. Filer is bescheiden over en misschien zelfs een beetje overvallen door zijn succes. ‘Mijn droom was een boek op de plank in de Waterstone’s in Bristol.’ We spraken hem in Amsterdam.

Matthew, de hoofdpersoon en verteller van ‘De schok van de val’, is de spil van het boek. Hoe heb je hem bedacht? Kwam zijn personage op een dag zomaar bij je op?

Nee. Schrijvers zeggen graag zulke dingen, dat een volledig gevormd personage hun hoofd zomaar binnenwandelt. Ik geloof dat dat is hoe Harry Potter verscheen. Niet dat ik wil beweren dat J.K. Rowling niet eerlijk is, en het is duidelijk dat ze heel erg goed is in wat ze doet, maar ik denk dat dat idee een soort mythe is, dat bijdraagt aan de allure van romans schrijven.

Iets dat gewone mensen…

Iets dat gewone mensen niet kunnen. Ik denk dat ik me meer aangesloten voel bij de gewone mensen. Ik had natuurlijk wel een idee van hoe Matthew was, maar zijn personage heeft zich ontwikkeld doordat ik heel veel tijd met hem heb doorgebracht, om het zo maar te zeggen. Door in zijn stem te schrijven en de verkeerde toon te pakken te hebben, stukken weg te gooien, iets te schrijven en denken, nee, dat klinkt niet als het personage dat ik probeer te ontwikkelen. En naarmate ik langer aan het schrijven was, leerde ik hem beter kennen en maakte ik minder fouten. Ik maakte natuurljik nog steeds wel fouten, maar het was me heel duidelijk wat wel en niet werkte. Toen ik op dat punt was aangekomen was hij een echt personage, maar dat heeft werk gekost. Hij kwam niet zomaar aangewandeld.     

Toen ik voor het eerst over Matthew begon na te denken was ik psychiatrisch verpleger in opleiding, dat is zo’n tien jaar geleden. En ik was, zoals denk ik veel mensen die een roman aan het schrijven zijn, niet echt een roman aan het schrijven. Af en toe schreef ik wat en dan deed ik een half jaar niks, en dan schreef ik weer wat en gooide wat weg. Dus als je het zo bekijkt ben ik er al heel lang mee bezig, maar in 2010 dacht ik: of je gaat het nu doen, of helemaal niet. En toen ben ik een MA in creative writing gaan doen en me er echt op gaan concentreren, en toen ging het wel sneller.  

Op welke manier heeft die opleiding je geholpen?

Ik heb er vierduizend pond aan geleend geld aan besteed, dus dat was nogal een kick up the arse. (lacht) En ik denk dat de deadlines hielpen, de structuur, het idee dat mensen van je verwachten dat je iets gedaan hebt. Ik heb ook heel veel gehad aan de feedback van docenten en medestudenten. Niemand kan je boek voor je schrijven, dat moet je zelf doen, maar andere mensen kunnen je wel helpen met herschrijven en dat proces versnellen. De eerste versie van het boek heb ik tijdens de opleiding geschreven, en als je die eenmaal hebt schrijf je natuurlijk ook de tweede en de derde versie omdat je er inmiddels al zoveel in hebt geïnvesteerd.   

En hoe was het, toen je een contract bij Harper Collins had getekend, om voor het eerst met een redacteur te werken?

Mijn redacteur, Louisa Joyner, begreep hoe het verhaal in elkaar stak. Wat haar zo’n goede redacteur maakt, wat elke goede redacteur goed maakt, is dat ze niet probeerde mijn verhaal te veranderen, maar dat ze zei: ik denk dat je hier dit probeert te bereiken. Ben je aan het proberen dat te bereiken? Ja Louisa, dat probeer ik te bereiken. Nou… het lukt niet zo. Laat me je helpen het te bereiken. Ze snapte wat ik wilde doen en hielp me dat ook daadwerkelijk te doen.

De meeste boeken die verteld worden vanuit het gezichtspunt van iemand met psychische problemen zijn geschreven door mensen die zoiets zelf hebben meegemaakt. Heeft je werk als psychiatrisch verpleegkundige er veel mee te maken gehad dat je een boek wilde schrijven over iemand als Matthew?

Natuurlijk ben ik beïnvloed door die omgeving. Een groot deel van de research over hoe het eraan toegaat op een psychiatrische afdeling heb ik tijdens mijn werk gedaan. Daarbij, ik heb met honderden mensen met psychische problemen gewerkt, en hoe ze door het grotere publiek en door de media worden gezien strookte helemaal niet met mijn ervaringen. Dus toen ik besloot erover te schrijven wist ik dat ik het goed moest doen. Het was heel belangrijk voor me om de lezer een persoon te laten zien, niet alleen een ziekte. Ik heb er zeker ook over nagedacht dat dit soort boeken meestal worden geschreven uit persoonlijke ervaringen van de schrijver zelf, en ik heb me ook wel afgevraagd of ik het recht had, of ik wel gekwalificeerd was. Maar ik wilde een boek schrijven over een patiënt, niet over een verpleger. En ik bedacht me dat heel veel schrijvers vanuit het gezichtspunt schrijven van iemand die in een situatie zit waarin zijzelf nooit gezeten hebben. Dat is de wereld van fictie. Dus het was een training voor de verbeelding, net als elke andere roman.

Hoewel ik geen psychische aandoening heb, heb ik voor het boek heel veel uit mijn eigen leven gehaald. We hebben niet allemaal psychische problemen, maar we hebben wel allemaal verdriet, moeilijke periodes in onze families, ruzies met onze moeders… en ik denk dat dat soort problemen een continuum zijn. We zijn niet zo gek veel verwijderd van mensen die, zoals Matthew, aan een psychische stoornis lijden.       

Denk je, nu Matthew niet meer alleen in jouw hoofd bestaat, op een andere manier aan hem? Hij is nu af.

Ja, hij is nu af. Zijn verhaal is klaar. Ik denk wel dat ik dat verhaal altijd bij me zal dragen, en als je zo veel tijd doorbrengt met een personage denk ik dat je delen van hem of haar overneemt. Je legt zoveel van jezelf in een personage, en hij is geen werelden van me verwijderd: hij is een jonge man, hij komt uit Bristol, dezelfde stad als ik. Het is niet alsof ik een boek heb geschreven over een twaalfjarig Frans boerenmeisje. Dus we zijn een beetje met elkaar vergroeid, en nu als ik iets zie kan ik ernaar kijken zoals Matthew ernaar zou kijken.  

Over mythen over schrijven gesproken, er is er ook een die zegt dat personages hun eigen wil hebben, en dat de schrijver die maar heeft te respecteren. Is dat voor jou ook zo?

Dat is de enige schrijversmythe waar ik het mee eens ben. Ik denk dat dat gewoon waar is. Natuurlijk zit je niet alleen maar naar ze te kijken, maar vooral met een boek als dit, dat zo gedreven wordt door personages – elke keer dat ik een bepaalde plotwending probeerde te forceren, werkte dat gwoon niet. En dan moest ik altijd, om die term maar te gebruiken, naar ze luisteren, naar wat ze zeiden en wat ze wilden doen. So there you are.  

 

auteursfoto: Phil Bambridge