Maxim Leo

Interview met Maxim Leo

Maxim Leo (1970), journalist, werd geboren in Oost-Berlijn en was negentien jaar toen de twee Duitslanden weer één werden. Vijfentwintig jaar na de val van de Muur is zijn boek over zijn familie, ‘Haltet euer Harz bereit’, dat in 2011 de Europese Boekenprijs won, naar het Nederlands vertaald. ‘Rode liefde’ gaat over Leo’s zoektocht naar de geschiedenis van zijn familie: over de opa die in het Franse verzet vocht en de opa die Duits soldaat was, zijn moeder die in de DDR geloofde maar worstelde met de ideologische starheid, zijn vader die rebelleerde en tenslotte zijn eigen jeugd in Oost-Duitsland. 

Met wat voor houding ben je aan ‘Rode liefde’ begonnen? Hoe dacht je dat het ontvangen zou worden?

Toen ik begon met schrijven heb ik me afgevraagd of dit boek interessant zou kunnen zijn voor een lezer die niet in Oost-Duitsland heeft gewoond, of zelfs voor iemand die die ervaring wel deelt, omdat ik uit een heel ongewone familie kom. Het was een verrassing om te ontdekken, toen ik eenmaal klaar was, dat niet alleen Duitse lezers maar lezers over de hele wereld heel goed begrijpen waar het boek over gaat. Ik denk omdat het uiteindelijk over mensen en menselijke tragedies gaat, en het op een heel menselijk en persoonlijk niveau is geschreven.

Je had het al even over je familie. Werner, je grootvader van vaderskant, heeft voor de Nazi’s gevochten maar is na de oorlog communist geworden. Dat lijkt nogal een omslag.

Het Nazisme en het communisme hadden, vooral in die tijd, behoorlijk wat gemeen. In beide systemen hoefde je niet zelf na te denken. Tegenwoordig hebben we het altijd over vrijheid, en denken we dat de Oost-Duitsers de Muur hebben afgebroken omdat ze vrij wilden zijn. Ik denk dat ze ook gewoon nieuwsgierig waren, en een nieuwe spijkerbroek wilden en met eigen ogen wilden zien hoe het in het westen was. Vrijheid is heel gecompliceerd. Je moet zelf beslissingen maken, de verantwoordelijkheid nemen, proberen te begrijpen wat er gaande is. Ik denk nog steeds dat een dictatuur voor zestig procent van de bevolking heel comfortabel is.       

Zit daar ook een gevoel van saamhorigheid aan vast, dat heel aantrekkelijk kan zijn?

Ja, hoewel ik denk dat het in de DDR meer een kwestie was van sociale saamhorigheid dan van politieke. Ik denk niet dat heel veel mensen écht in de ideologie geloofden, maar er was wel het gevoel dat iedereen dezelfde problemen had. Als er geen groenten te krijgen waren, dan waren ze voor niemand te krijgen. Je kon niet naar Frankrijk op vakantie, maar niemand kon naar Frankrijk op vakantie. Dat zorgde voor een bepaalde sociale verbintenis. Tegenwoordig is het idee dat als je erbuiten valt, als je geldproblemen hebt of niet succesvol bent in wat je doet, dat dat aan jezelf ligt. Niet aan de groep, niet aan het collectief, maar alleen aan jou, omdat je niet goed genoeg bent. Misschien dat het cynisch klinkt, dat is het denk ik niet, maar in die zin is een dictatuur heel geruststellend. Het kan een verklaring zijn voor je gebrek aan succes, omdat je altijd bij jezelf kunt denken: het komt door de dictatuur. ‘Ik zou een groot schrijver kunnen zijn, maar ja, de dictatuur…’   

En toen de Muur eenmaal gevallen was, hoe was het toen om mensen uit West-Duitsland te leren kennen?

Ik realiseerde me dat ze niet zo anders waren dan wij. Dat was voor mij een van de eerste decepties: ik dacht altijd dat mensen in het westen veel intelligenter en succesvoller waren dan wij, dat ze meer kansen en meer potentieel hadden, maar ik kwam hele gewone mensen tegen die gemakkelijk in Oost-Duitsland hadden kunnen wonen (lacht). Ik kwam erachter dat we allemaal uit hetzelfde land kwamen, eigenlijk. We verschilden niet zoveel van elkaar, en we hadden een soort gemeenschappelijke bron van herinneringen uit het verleden.

Denk je dat de overgang makkelijker was voor jou dan voor je ouders en grootouders?

Absoluut, omdat de timing voor mij perfect was. Ik was negentien, net klaar met de middelbare school, het was het uitgelezen moment om een nieuw begin te maken. Voor mijn ouders was het veel moelijker. Ik denk dat het voor mijn grootouders op een bepaalde manier makkelijker was, omdat hun loopbanen al achter ze lagen. De generatie van mijn ouders was te jong om te stoppen met werken, maar te oud om helemaal te kunnen integreren. Misschien is het de perfecte middenweg om op te groeien in een dictatuur, met de veiligheid die je hebt als kind, en om dan als negentienjarige verder te leven in een Westerse cultuur (lacht). Het is een ongelofelijke ervaring om in twee verschillende systemen, in twee verschillende landen te leven, zonder zelfs maar te hoeven verhuizen.

En als je nu in Berlijn rondloopt, zie je dan hoe het was of hoe het nu is?

Allebei. In het boek schrijf ik over een boom in de tuin van ons vakantiehuisje, die er al was toen ik geboren werd en er nog steeds staat, en over de vraag of het een Oost-Duitse of West-Duitse boom is. Hoe bepaal je waar je thuis is? Hangt de definitie van ‘het vaderland’ af van een politiek systeem, of van de straat waarin je bent opgegroeid en de mensen om je heen? Voor voormalige Oost-Berlijners is het extra ingewikkeld omdat de DDR als staat is verdwenen, maar hun persoonlijke omgeving niet heel sterk is veranderd. Het park aan de overkant van de straat is nog steeds hetzelfde. Natuurlijk is er veel gerenoveerd, maar als je het vergelijkt met beelden uit 1989 is het niet zo heel anders. En ik heb natuurlijk mijn herinneringen uit mijn kindertijd, en mensen om me heen die diezelfde herinneringen hebben.

Heb je de behoefte die herinneringen aan je kinderen door te geven? Hoe kijken zij tegen de DDR aan?

Het is een hele gekke situatie. Ze weten dat ik uit een land kom dat niet meer bestaat, maar voor hen had de DDR net zo goed op Mars kunnen liggen. Als ik erover vertel zeggen ze: ‘ja ja, dat weten we nou wel,’ alsof ik een opa ben die over de oorlog vertelt. Het is bizar om te bedenken dat ze het land waarin ik ben opgegroeid nooit zullen kennen, terwijl ze zelf in hetzelfde land zijn opgegroeid. Aan de andere kant gaan de meeste van mijn herinneringen aan mijn jeugd niet over politiek, maar over de kleuterschool, mijn eerste verliefdheid, dat soort dingen. Het politieke label is verdwenen, maar dat was misschien ook niet zo belangrijk.   

In ‘Rode liefde’ schrijf je over de hoop die je moeder bijvoorbeeld had, in de periode net voor de Muur viel, dat de DDR zou kunnen veranderen in plaats van helemaal te verdwijnen. Ik vond het moment dat de zich realiseert dat dat er niet in zit een van de verdrietigste momenten in het boek.

Ja, en ik vind het heel jammer dat West-Duitsland niet meer heeft geprofiteerd van de hereniging, dat er geen pogingen zijn gedaan iets te leren van het oosten. De DDR werd bijna gezien als een soort duivelsland, waar alles slecht was. Maar in Berlijn is het schoolsysteem tegenwoordig gebaseerd op het Oost-Duitse model, omdat men zich heeft gerealiseerd dat het een behoorlijk goed systeem was. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de positie van vrouwen – kinderopvang was in de DDR heel goed geregeld, zodat het makkelijker was om je werk met een gezin te combineren. Er was in 1989 dus best wel iets te winnen, maar het westen heeft het oosten eigenlijk opgegeten. En in die vergelijking tussen het oosten en het westen vergeten we altijd dat het Duitsland van nu totaal anders is dan het West-Duitsland van de jaren 1980. De DDR bestaat niet meer, maar hetzelfde geldt voor het West- Duitsland van toen.