Kristien Hemmerechts, 'Ik ben een observator van menselijk gedrag'

Interview met Kristien Hemmerechts, 'Ik ben een observator van menselijk gedrag'

Antwerpen-Berchem, vrijdagavond 16u. Onder de laatste stralen van een zeldzame winterzon bellen we aan bij Kristien Hemmerechts. We zullen het hebben over haar nieuwe roman 'Wolf', waarin het hoofdpersonage Vladimir het verleden moeilijk achter zich kan laten. Amper vijf dagen oud wordt hij door zijn grootmoeder uit de armen van zijn moeder gestolen. Of was dat onderling zo afgesproken? De man, intussen vijftig, is nog altijd boos. Zijn woede staat elk ander gevoel in de weg, en zeker de liefde. 'Wolf' zal ons voldoende stof tot gesprek leveren. Al snel wijden we uit over emotie in de huidige maatschappij, het métier van de schrijver, de rol van de lezer en de grijze communautaire zones van Kristiens geboortestad Brussel.

K. H.: 'Wat vond je ervan?'

C.E.: 'Wolf was voor mij een reis door het hoofd van een personage en het lezen was soms confronterend. Die titel van slechts vier letters deed mij meteen denken aan Roodkapje, het Noorden en iets onbeschaafds, waarover een heleboel vooroordelen de ronde doen. Ik dacht pas in tweede instantie aan het zorgende karakter van de wolf en het verhaal van Mowgli. Ik neem aan dat u bewust heeft ingespeeld op de 'moeilijke' kant van de wolf?'

K. H.: 'Dat zijn dingen waar lezers en recensenten zich op focussen. Het schrijfproces is minder analytisch. Dat is iets heel wonderlijks aan schrijven. Vaak komen lezers achteraf met iets en dan denk ik ja, hij of zij heeft gelijk.' Waar ik vooral mee bezig ben is op een geloofwaardige manier een personage neerzetten. In 'Wolf' zit je, zoals je zegt, in het hoofd van het personage. Ik wilde vooral tonen dat het helemaal niet eenvoudig is om die familie te beoordelen. Het is een onontwarbaar kluwen en het is niet evident om zo'n kluwen neer te zetten. Er gaat veel denkwerk aan vooraf. Ik ben bezig met het métier van schrijven en niet zozeer met symboliek. Ik denk dat symbolen ook het best werken als ze er bijna ongemerkt in verzeild geraken. Wanneer ze er zijn ingepland wordt het snel zwaar.'

C.E.: We leren het personage kennen achter het stuur, onderweg door de besneeuwde Ardennen. Hij laat allerlei gedachten binnen. Het is duidelijk dat hij door een erg negatieve vorm van woede wordt beheerst. Hij noemt zichzelf een loser, maar hij legt de schuld daarvan bij een ander. U hebt toch bewust voor zo'n openingsscene gekozen?

K.H.: 'Ik heb hem bewust naar Wallonië laten rijden, omdat wij in Vlaanderen leven alsof België ophoudt aan de taalgrens. Ik ben de laatste jaren nogal dikwijls gaan wandelen in het Franstalige landsgedeelte en dan besefte ik dat het toch vreemd is dat wij daar niks mee doen. Zie je, in eerste instantie wilde ik hem gewoon een eind laten rijden. En dan achteraf zie je 'ah ja de queeste'. Dat klopt wel. Je ziet zo'n scenes ook vaak in films. Ik vond vooral de openingszin erg grappig "Hoe diéper hij Wallonië binnendrong, hoe harder het sneeuwde." Net alsof Wallonië de Far West is. Dat Vladimir altijd de schuld bij anderen legt, dat is juist. Op een bepaald moment zegt zijn therapeute in de groep 'sommige mensen willen niet van hun woede verlost zijn. Ze zitten erin vast.' Vladimir wéét dat. Hij wil zo graag die liefde, maar die zal pas kunnen komen op het moment dat hij zélf liefde gaat geven.'

C. E.: Het hoofdpersonage is onderweg naar Coccola in navolging van die drang naar liefde. Wat voor plaats is dat? Ze kwam mij nogal vaag en religieus over.

K. H.: 'Het was ooit een klooster en er zijn nog restanten van terug te vinden, zoals het Mariabeeld dat later nog opduikt. Men wil in Coccola in eerste instantie de vriendelijkheid promoten. Ik moet wel bekennen dat ik vriendelijkheid erg belangrijk vind. Ik probeer zelf vriendelijk te zijn, al lukt mij dat niet altijd. (lacht) Ik maak er een actiepunt van. Ik ondervind zelf dat vriendelijkheid je dag goed kan maken en botheid alles kan verknallen. Onvriendelijkheid weegt.'

C. E.: Opmerkelijk vond ik het huisreglement. Wie niet vriendelijk is wordt 'zonder restitutie' buitengezet. Ook vriendelijkheid kent de beruchte kleine lettertjes…

K. H.: 'Heel die plek is vooral ironisch. Ik vraag me af of ik er naartoe zou willen gaan. Het is er prettig en iedereen kan er vertellen zonder dat je er be- of veroordeeld wordt. Zou jij er naartoe willen gaan?'

C. E.: Eerlijk gezegd zou ik het niet zien zitten. Wie naar dergelijke plek toegaat heeft een bepaalde verwachting, is op zoek naar een soort verlossing. Men wil iets kwijt. Dat kan wel in die praatgroep, maar praten is per definitie interactie. Dat kan erg confronterend zijn voor iemand die in de knoop ligt met zichzelf.

K. H.: 'Zijn eerste ontgoocheling is ook dat men hem vraagt om te zwijgen, omdat hij iedereen onderbreekt. Dan vertrekt hij als een klein kind naar zijn kamer. Dan is hij kwaad.'

C. E.: Misschien is hij een dergelijke confrontatie met tweerichtingsverkeer niet gewend. Is hij daar in zijn jeugd toch een beetje voor beschermd geweest…

K. H.: 'Dat denk ik wel ja. Die jeugd is een mengeling van verwaarlozing en verwenning. Maar dat is nu iets dat echt bij de lezer ligt om uit te maken.'

C.E.: Wolf is ook het verhaal van een bijzondere vriendschap. Die van Vladimir en de blinde, zwarte stand-up comedian Leander. Ze kennen ongeveer dezelfde start in het leven. Beide zijn ze niet door hun biologische ouders opgevoed, maar ze gaan er anders mee om. Ze staan fundamenteel anders in het leven.

K. H.: 'Dat is nu wel heel bewust gedaan. Mijn vertrekpunt was de gedachte dat ik wel heel vaak mensen heb gezien die vreselijke dingen meemaken en dat niet achter zich kunnen laten. Ze worden er heel destructief door, tegen zichzelf, tegenover anderen. Daarnaast heb je ook mensen die daar constructief mee omgaan. Zij kunnen relativeren. Mensen die niet kunnen loslaten, zijn een probleem voor zichzelf, maar ook voor anderen, voor hun gezin, voor de maatschappij. Die mensen die bommen gaan gooien, of zoals nu die jongen van die mass shooting in Florida. Dat is een jongen die met erg veel woede en frustratie zit. Dat heeft zich geuit in afschuwelijk destructief gedrag. Ik vind dat wel iets om serieus over na te denken. Hoe ontstaat die woede en wat kunnen we doen opdat die woede niet zulke gevaarlijke dimensies aanneemt? Sommige mensen hebben recht op woede en zijn het niet, of in beperkte mate. Zij kunnen relativeren. Dat is iets wat mij enorm intrigeert. Ik denk in alle eerlijkheid dat het een stuk wordt bepaald door je genen, je DNA, je karakter. Daarnaast is het een kwestie van op het juiste moment de goede mensen tegen komen. Of in het andere geval de foute.

'Het komt erop aan problemen op tijd te detecteren op. Bij die jongen in die school shooting bijvoorbeeld, waren er duidelijk signalen de woede, de wapens, de posts. Het is bijna verbijsterend dat er niemand heeft ingegrepen.'

C.E.: Maar op welk punt moet je ingrijpen?

K. H.: 'Dat is erg moeilijk natuurlijk. En er is ook nog zoiets als privacy. Zolang je niet iets doet dat echt strafbaar is. Bij zelfmoord is het de agressie tegen jezelf. Op een bepaald moment is er geen weg terug. Mijn personage Vladimir voelt dat aan, hij wil van zijn woede verlost worden. Hij wil er iets aan doen, het is als een gevangenis. Hij voelt niets of hij voelt woede. Dat moet afschuwelijk zijn, toch? Hij zit letterlijk opgesloten in zichzelf.

C.E.: Het contrast met het personage van Leander kan niet groter zijn. Stand-up comedians staan ervoor bekend dat ze kunnen inspelen op onvoorziene omstandigheden. Zoals het voorval van die gsm die plots afgaat tijdens de voorstelling. Leander pikt dat op, Vladimir kan dat niet. Hij is opgesloten in zijn eigen emotie. Hij is bijna blind van woede.

K. H.: 'Ik besef meer en meer dat jezelf kunnen relativeren verschrikkelijk belangrijk is. Er zijn mensen die je zouden aanvallen, wanneer je op straat tegen hen aanloopt. Maar daar eens om kunnen lachen is bijzonder heilzaam. Het boek laat de twee standpunten zien. Sommige mensen zitten nu eenmaal zo in elkaar, anderen weer heel anders.'

C. E.: Het andere belangrijke personage is dat van de grootmoeder. Zij is ergens ook belast met een verleden. Zou je kunnen zeggen dat woede overdraagbaar is?

K. H.: 'Ik wilde tonen dat veel dingen die Vladimir zegt en doet gekopieerd zijn van zijn grootmoeder. Die wilde ook dat er nooit vreemd volk in huis kwam. Hij neemt dat over naar bijvoorbeeld die arme huurders in zijn huis. Hij negeert hen compleet, hoewel ze in hetzelfde huis wonen. Ik denk dat er veel van dat soort moeders zijn, zorgend en verschrikkelijk tegelijk. Vladimir wordt af en toe in de kelder opgesloten. En er is ook het verhaal van de bastaard die meteen weg moet. Baba is een radicale vrouw. Ze stelt haar principes voorop. Er zijn in dat gezin situaties die niet helemaal juist zijn. Zoals Vladimir die als kind samen slaapt met zijn tantes en zijn seksualiteit die daar ontwaakt. En nee, dat is geen incest, dat is geen misbruik. Maar dat is ook niet helemaal oké. Ik denk dat dat erg veel gebeurt in gezinnen. En dan is er die relatie met Maya die twee keer zo oud is. Hij is dan 16, geen kind meer. Het zijn geen verschrikkelijke dingen, hij wordt niet verkracht, maar er valt geen grens te trekken. Dat is wat mij juist interesseert, de schemerzone tussen mishandeling, misbruik en in een veilige zone zitten.'

C. E.: Niet zwart, niet wit. De grens kan je vaak pas achteraf trekken.

K. E.: 'Ik las ooit een boek over de jeugd van Dutroux en dat was ook zo. Wat is daar in dat gezin gebeurd, maar dan ook weer niet echt gebeurd. In mishandeling denken wij vaak in extremen. Verwaarlozing op zich kan ook verre gevolgen hebben. Tegelijk is er de vader van Vladimir die hem maar blijft bellen. Je kunt niet zeggen dat die er niet voor Vladimir was.'

C. E.: Baba wil radicaal Belg zijn. Ze zegt 'Ik spreek geen Vlaams en ik spreek geen Frans en ik spreek geen Nederlands. Ik spreek Brussels. Ik ben in Brussel geboren en ik zal in Brussel sterven. Dicht bij onze koning.' Toch verdeelt ze haar eigen kinderen en Vladimir over het Saint-Michel, het Maria-Boodschap en het Sint-Jan Berchmans college. Dat klinkt als één en al compromis.

K. H.: 'Ik wilde het verhaal verankeren. Je bént echt in Brussel, de straten bestaan. De rue Molière, het Vossenplein, Wittamer. Het is une histoire belge. Ik heb die verscheurdheid, die verdeeldheid altijd eigenaardig gevonden. Het maakt deel uit maakt van Belg te zijn. Ik ben opgegroeid tussen dat eeuwige gebekvecht. De Franstalige kant was een soort van vijand, hoe absurd dat ook moge zijn. Ik wilde dat gebruiken. Dat naast elkaar wonen en toch mijlenver van elkaar verwijderd zijn. Dat is ook weer ironisch. De taalgrens liep recht door zijn familie. Dat zie je ook terug tot op de begrafenis die in beide talen verloopt.'

C.E.: Er zijn echt wel meerdere kritische noten te bespeuren in het boek. In een bepaalde scene op Coccola staat de oprichtster Linda met een microfoon in de kapel op de plaats waar vroeger de priester moet gestaan hebben. Coaching krijgt een soort van religieuze status in deze maatschappij, men verwacht er alle heil van?

K. H.: 'Ik denk dat dat wel duidelijk is gezien de populariteit van mindfulness en coaching. Hier is dat nog niet zoals in Nederland, maar daar heeft iedereen wel een coach. Het vervult een soort leemte die ontstaan is door het verdwijnen van de godsdienst. Je kunt je afvragen in hoeverre dat niet een soort van nieuwe godsdienst is. Ik vond het zo leuk dat ze beginnen te bidden wanneer dat Mariabeeld wordt bovengehaald. Ze vervallen terug in oude gewoonten. En dan de verwarring… Mensen zijn erg aan het zoeken. Ze zoeken hun heil in rare dingen. Sommigen volgen zelfs de rituelen van de native Americans. Mensen zijn zo zoekende dat Coccola nog wel eens succes zou kunnen hebben.'

C.E.: Als lezer heb ik me meermaals verkneukeld aan zinnetjes als 'het een plaats geven', 'elke ervaring maakt je rijker'. Het is een soort van new speak om de complexiteit van grote emoties te reduceren.

K.H.: 'Dat wordt vaak geciteerd als een soort van evangelie, 'What doesn't kill you makes you stronger'. Dat wordt aangehaald om het leven een vorm van betekenis te geven. Ik ben het met je eens dat het de werkelijkheid enorm simplifieert. Je kunt veel geld verdienen met simpele dingen te verkondigen. Je voelt dat er een behoefte is.'

C.E.: Er is een behoefte, maar als je dan naar de praktijk gaat kijken wordt het erg geformatteerd aangeboden, bijvoorbeeld in gesprekken van x aantal minuten. Een schrijver die lang en breed over een personage heeft nagedacht en er een tijdje mee heeft opgelopen, is wellicht een beter geplaatst persoon om het over emoties te hebben. Zelfs beter dan een therapeut.

K.H.: 'Je kan pas schrijven en personages creëren als je inzicht hebt in menselijk gedrag. Dat inzicht krijg je door erover na te denken. Ik zei je al, het grootste werk aan een roman is nadenken over je personage. Je dringt binnen in een mens op een manier dat je alleen bij jezelf zou kunnen binnendringen. Je zit in het hoofd en in het hart van iemand. Ik ben een observator van menselijk gedrag. Mijn man zegt altijd 'Jij wilt altijd alles begrijpen.' Dat is waar. Mensen beweren a, maar ze doen b en morgen c. Menselijk gedrag is eigenaardig en bevreemdend en een eindeloze bron van inspiratie voor een schrijver.'

C.E.: En een roman licht een kant van dat menselijk gedrag uit.

K. H.: 'Nu was het die woede en die hunkering naar liefde, naar verlossing.'

C.E.: Zou in dezelfde gedachte lezen ook een vorm van therapie kunnen zijn?

K.H. : 'Wel, het zou alleen een groot compliment zijn als mensen gaan terugkoppelen naar hun eigen ervaringen, naar hun eigen inzichten. Dan kan je als schrijver zeggen 'mission accomplished'. Maar in eerste instantie hoop ik dat mensen het boek graag lezen, dat het geen klus is. Er is al zo veel afleiding. Ik probeer te schrijven zodanig dat je blijft lezen. Dat is weer een kwestie van métier, van opbouw.'

C.E.: En dat lezen dat mag best confronterend zijn, herkenbaar. In plaats van alleen leuk en interessant mag het best wringen.

K. H.: 'In verband met dit personage was ik wel een beetje bang dat het te negatief zou worden.'

C.E.: Daarvoor zijn Coccola en de situaties te ironisch. Het is allemaal eerder tragikomisch.

K. H.: 'Coccola leent zich daar ook wel toe. (lacht) 'Mag ik iets met jou delen?' Vreselijk! Ik ben daar allergisch voor.

C.E.: Hebt u zo'n plaats bezocht als research voor het boek?

K. H.: 'Ik moest ooit een TEDtalk geven in Den Haag. De dag voordien liep daar zo'n coach rond tijdens het oefenen. Die keek mij aan op een bepaalde manier en zei 'Ik geloof in jou.' Ik had zoiets van 'Nee, bij mij werkt dat niet'. En trouwens, 'Wie ben jij?' Ik ben geen fan, maar je mag het allemaal niet over één kam scheren. 'Elke ervaring, maakt je rijker', daar zit een grond van waarheid in. En ja, 'je moet het loslaten.'

C.E.: Met Wolf verdiept u zich in het karakter van één personage. U publiceerde recent in De Standaard een verslag van uw reis door Sierra Leone per tandem. Dat lijkt een hele andere tak van schrijven. Merkt een schrijver andere dingen op dan een journalist?

K. H.: 'Dat weet ik niet. Iedereen kan goed kijken, maar je moet het wel willen doen. Ik vind het prettig om voor een reis te lezen over de geschiedenis van een land. Bij Siera Leone wist ik wel dat het ooit een land was voor bevrijde slaven, maar het ligt allemaal toch iets ingewikkelder dan dat. Ik verbaas me er wel steeds over hoe weinig mensen willen zien. Laatst hoorde ik toeristen op de trein zeggen 'Vietnam dat is een fan-tas-tisch land'. Ja maar, staan die dan niet stil bij de politieke-economische realiteit? Op reis moet het allemaal super en fantastisch zijn. Dat is absurd, want dat is het op die plaatsen niet. In Denemarken misschien wel ja.'

C.E.: Dat is zoals Instagram. Leuke plaatjes, felle kleuren, maar het verhaal erachter blijft flou.

K.H.: 'Ik verbaas me erover hoeveel mensen er zijn die zo oppervlakkig leven.'

C.E.: Men zegt wel eens dat de fictie en de non-fictie naar elkaar toegroeien. Men heeft het over literaire non-fictie.

K. H.: 'Dat kan ook gevaarlijk zijn. Dat artikel is non-fictie. Sierra Leone, de diamant, de oorlog, de slaven, die informatie moet correct zijn. Maar je gebruikt wel literaire technieken om je non-fictie soepel en leesbaar te houden. En zo is fictie ook geïnspireerd op de realiteit. Plaatsen, zoals Coccola, zouden kunnen bestaan.'

C.E.: Tot slot is er ook de grootvader, de Rus, die verantwoordelijk is voor de familienaam. Als hij in 1921 in Brussel aankomt heeft hij onder andere het volgende bij 'een halssnoer van zijn moeder, twee ringen van zijn grootmoeder en een versleten exemplaar van Oorlog en Vrede (derde druk).' Dat laatste, zo'n detail dat meteen heel een personage en een tijdsgeest kleur geeft, dat kan alleen een schrijver opmerken.

K. H.: 'Je probeert jezelf te verplaatsen als schrijver. De huissleutel die ik hem ook laat hebben, komt van de Palestijnen die in 1948 werden verdreven. De huissleutel is een symbool van de vluchtelingen op de West Bank. Ik ben daar niet geweest, maar ik heb dat willen gebruiken. Die sleutel is een vorm van hoop. Als schrijver heb je oog voor details die veel zeggen. Zoals die grootvader zijn trouwens erg veel Russen in Parijs en Brussel gearriveerd.'

C. E.: Met een erg dik boek in hun koffer als symbool voor hun cultuur. Erg bedankt voor dit interview.