Joke Hermsen

Interview met Joke Hermsen

“De liefde haalt de klok van de schoorsteenmantel af.”

Filosofe Joke Hermsen heeft een intense verhouding met het begrip tijd en hoe we die beleven. In haar nieuwe essaybundel ‘Kairos. Een nieuwe bevlogenheid’ vult ze aan wat ze in eerdere boeken als ‘Windstilte van de ziel’ en ‘Stil de tijd’ onaangeroerd liet. Ze zoekt naar de geschikte toerusting om de grote maatschappelijke uitdagingen die het publieke debat tiranniseren ten goede te keren. “De bedoeling van de bundel is ons weer gevoelig maken voor de god Kairos.”

Als ik haar over Cutting Edge inwijd, veert ze recht en gaat aan de haal met de proloog die ik tevergeefs had voorbereid. “Cutting Edge is een aardig beeld dat de essentie van de Griekse god Kairos belichaamt. De weegschaal die hij hanteert, op het scherp van de snee, daar gaat het om in mijn bundel.”

De bezieling die ze in haar stem legt reflecteert de hoop en het engagement die ze wil aanwakkeren, een ontwapenend verzet tegen onverschilligheid en cynisme. Ingelijst aan de wand, waakt Hugo Claus over ons gesprek. De meester zou hebben ingestemd met de centrale rol die Hermsen in haar nieuwe ethiek toebedeelt aan kunst en literatuur.

Red de planeet

Ze zijn herkenbaar maar o zo zeldzaam, de ervaringen die je uit de tijd zwieren, begeesterd door muziek, een expositie of een goede film, of gekluisterd aan de bank door een gesprek dat zich uit de schaduw van het leven wringt. De chronologische tijd valt stilt, onze eenzijdig economische beleving ervan verwatert tot een vage herinnering. De Griekse god Kairos belichaamt die precaire tijd, de ene haarlok die weerbarstig langs zijn gezicht slingert symboliseert de noodzaak van een precieze timing om dat momentum te verzilveren.

Het goede nieuws is dat we opnieuw meer aandacht hebben voor een kaïrotische tijdsbeleving. In het abecedarium dat ze in haar nieuwe bundel heeft opgenomen lijst Hermsen een resem bewegingen en initiatieven op die de opmars van Kairos staven. Ze pleit nog steeds voor een onthaaste levenshouding, maar de urgentie van de diverse crises die zich als een mantra in de collectieve oorschelp hebben genesteld dwingt ons te handelen.

Joke Hersmen: “In ‘Stil de tijd’ lag de klemtoon op de rust die we moeten in acht nemen om nog creatief te kunnen zijn. Het ging over het verschil tussen tijd meten en tijd ervaren, tussen hebben en zijn. Je hebt een zekere rust nodig om in dat zijn te geraken. Inmiddels zijn we weer een paar jaar verder, en zien we de ene na andere slow-beweging opkomen. We horen allemaal pleidooien om te onthaasten. De kerken zijn weliswaar leeg, maar de kloosters stromen weer vol, ook met jonge schrijvers die de stilte opzoeken om iets te maken. De noodzaak van stilte, rust en ontspanning is wel begrepen, maar wat gaat ons nu weer in beweging brengen? Hoe gaan we om met de andere tijdservaring zodat we hem creatief kunnen maken? Dát is de centrale vraag in de bundel.”

“Er moet een en ander gebeuren in de eenentwintigste eeuw, een aantal veranderingen moeten doorgevoerd worden willen we de leefbaar- en bewoonbaarheid van onze planeet vrijwaren. Van de Oudheid tot de zestiende eeuw begrepen we die Kairos-gedachte. De bedoeling is ons weer gevoelig te maken voor die beleving van tijd. Het gaat over meer dan de juiste gelegenheid om een verandering door te voeren, de juiste maat is net zo belangrijk.”

Je bepleit niet alleen een nieuwe ethiek, de scherpe meningen over politiek en economie verraden een pamflettaire bezieling.

Hermsen: “Als je het hebt over filosofie, kunst en literatuur is een politieke lading nooit ver weg. Politiek en cultuur kun je niet los zien van elkaar. Integendeel, om het nieuwe te verbeelden heeft cultuur altijd een politieke component in zich. Allebei zijn ze op creativiteit gestoeld en nemen ze geen genoegen met de huidige status-quo. Vandaar het laatste essay over de utopie: willen we iets veranderen, is een besef dat de huidige situatie niet voldoet noodzakelijk. Als je een vermoeden hebt dat het beter en anders kan, toch het wezenskenmerk van de utopie, dan leg je je niet neer bij de impasse.”

En toch blijkt uit recente politieke peilingen dat vele mensen de status-quo genegen zijn.

Hermsen: “Het is een evidentie, ook voor de meest conservatieve politici, dat we niet voortkunnen op deze basis. De energiebronnen raken op, de aarde vervuilt zienderogen, we stevenen af op gigantische conflicten van financiële en sociologische aard. De rijken die steeds rijker worden en de armen almaar armen: het is wachten op een opstand. In Indonesië, waar ik gewoond heb, is er een verregaande moslimisering aan de gang die ik interpreteer als een verzet uit armoede.”

“De laatste jaren zijn er een heleboel veranderingscoaches en –consultants opgestaan, maar die kunnen niets veranderen. Je moet eerst een beginsel ontwikkelen waarmee je dat nieuwe begin kunt maken. Je moet nadenken hoe je wil veranderen, waartoe en waarheen, zonder uit het oog te verliezen wat het doel is, de utopie, het visioen. Dan pas kun je proberen wat te gaan realiseren.”

“Een ding lijkt me evident, en dat is dat we niet op dezelfde voet verder kunnen en nog individualistischer en hyperkapitalistischer worden, zonder ons van de ander iets aan te trekken. Als het maatschappijbeeld dat Jonathan Franzen in ‘Vrijheid’ schetst waarheid wordt, en de mens volledig samenvalt met zijn materialistische ego, verandert onze maatschappij in een jungle.”

De pluraliteit als motor van de democratie staat onder druk, het Zwitserse migratiereferendum is daarvan een schrijnend voorbeeld.

Hermsen: “Dat is de reden waarom ik schrijf en in beweging wil komen. Ik deel volledig een maatschappijkritische analyse, dat las je in ‘Stil de tijd’, dat lees je in ‘Kairos’ in niet mis te verstane woorden. Maar die vaststelling an sich is onvoldoende. We kunnen niet een zoveelste cultuurpessimistische oprisping in drukvorm uitgeven en denken dat het allemaal goed komt. We moeten ons bewust worden van onze kracht, van het feit dat we als geboortelijk wezen in staat zijn telkens weer een begin te maken. De scepsis en het cynisme moeten we aan de kant schuiven en de weg vrijmaken voor andere krachten.”

Hoe verklaar je de triomf van het cynisme?

“Cynisme, maar ook nihilisme, zijn ontstaan uit scepsis. Ons denken wordt gestuurd door twee corrigerende principes: religie en politieke ideologie. Beide zijn in de vorige eeuw van hun troon getuimeld. God is dood, Marx is dood en ik voel me ook niet zo lekker. Dat heeft voor een sceptische levenshouding gezorgd die alleen maar met ironie vol te houden viel. Een te lang volgehouden en eenzijdige ironische houding verwordt tot een nihilistische en cynische houding. De schrijver Herman Koch is dé cynicus bij uitstek.”

“Mijn vermoeden, en voor een stuk ook mijn hoop, is dat we daar eindelijk genoeg van beginnen te krijgen. Bij de jongere generatie zie ik een kentering. Als mijn zoon van zeventien Koch leest gooit hij het boek bijna woedend weg, hij snapt niet waarom wij dat hypercynisme zo geweldig vinden. Mijn generatie die de macht heeft en lekker op het pluche zit, die blijft de ironie nog wel even volhouden.”

“In mijn bundel probeer ik het verzet tegen het hypercynisme te consolideren en de nieuwe hoop en creativiteit filosofisch te verankeren. Heel wat jonge film- en documentairemakers, dichters en schilders zetten zich op heel diverse manieren af tegen die ironie, en zijn daarom exponenten van nieuwe stromingen als meta-modernisme, The New Sincerity of nieuwe romantiek.”

In de bundel laat je de vriendschap onaangeroerd, die aan een kaïrotische tijdsinterval evenzeer een bondgenoot heeft.

Hermsen: “Een goede vriend vind je inderdaad door Chronos het zwijgen op te leggen, door eindeloos ideeën uit te wisselen en elkaar met gedachten en sentimenten te inspireren. Ook de liefde haalt de klok van de schoorsteenmantel af.”

Je noemt de nieuwlichters onder de schrijvers poëtisch de utopisten van de taal. ‘Dit zijn de namen’ van Tommy Wieringa moet je wel graag gelezen hebben.

Hermsen: “Absoluut, en vooral bij de jongere generatie zijn er steeds meer schrijvers die de utopie zoals ik ze in ‘Kairos’ omschrijf belichamen. Tommy kun je daar nog net toe rekenen. Bij de oudere schrijvers zijn er schijnbaar maar twee mogelijkheden om te schrijven: extreem cynisch of vanuit een intens gevoel van weemoed. In Vlaanderen hebben jullie Erwin Mortier, alleen al de manier waarop hij schrijft ontvouwt die hoop, omdat hij zijn schrijverschap zeer serieus neemt en zich realiseert dat hij een utopist van de taal is. Een cynicus heeft dat niet, Grunberg kun je er niet op betrappen. In ‘Voetnoot’, zijn column op de voorpagina van de Volkskrant, moeten we bijna dagelijks lezen dat het hyperkapitalisme ons redt en de laatste heilsleer is.”

“Ook het lezen op zich is bijzonder en belangrijk, omdat als je een goede schrijver leest, zo’n utopist van de taal, het verlangen bij jezelf wordt aangewakkerd. Daarom is het zo erg als de nieuwe generatie niet meer zou lezen. Om de verhouding met ons innerlijk te reanimeren, moeten we de inspiratie en bezieling bij onszelf zoeken.”

Zo bezien lijkt het of je de terugval van religie in het Westen betreurt.

Hermsen: “Materialisme en nihilisme betekenen alleen maar een vermeerdering van hetzelfde. Iets moet ons verheffen. Binnen de strict kapitalistische denkpatronen kun je niets nieuws verzinnen of voor een werkelijke cesuur zorgen. Het zal steeds meer van hetzelfde zijn. Iets moet ons bevrijden van onze hebzuchtige blik naar onze portemonnee, en dat moet inspirerend zijn. Vroeger was dat God, in mijn boek is dat nu kunst, literatuur, muziek en filosofie. Dat zijn de nieuwe hoeders van het transcendente, zonder verliezen we wat ons onderscheidt van de andere primaten.”

Je hamert op het belang van het verhaal in het onderwijs.

Hermsen: “We maken een kwalijke evolutie door in Nederland met schaalvergrotingen, ondoorzichtige herstructureringen en zelfs de oprichting van iPadscholen. Docenten worden uitgeknepen, en onze beleidsmakers staan er nauwelijks bij stil. Ik blijf herhalen dat docenten de ruimte moeten hebben om verhalen te vertellen, zoniet gaat de utopie van de verbeelding teloor. Ze moeten gestimuleerd worden om scholieren en studenten te begeesteren. Of je nu een econoom bent of een historicus, je moet laten zien dat naakte feiten niet bestaan, dat ze altijd worden opgenomen in een bepaalde interpretatie of een verhaal en dat kun je niet verbeelden met een iPad.”

“We kunnen het nieuwe begin maken, maar daarvoor moeten we onze creatieve vermogens op school oefenen. Ik citeer in ‘Kairos’ James Salter die beweerde dat één opmerking in de schooltijd al kan volstaan om iets in gang te zetten. Niet elke les en docent zal inspirerend zijn, maar dat is wel het ideaal, de utopie waar we pedagogisch gezien naartoe moeten streven.”