Eugen Ruge: 'Ik ben niet ostalgisch.'

Interview met Eugen Ruge: 'Ik ben niet ostalgisch.'

Tussen het roerloze grijs van de overheidsgebouwen in de Belgische hoofdstad zit het Goethe-Institut geprangd. Het cultuurhuis, dat ons de Duitse taal wil bijbrengen, reikt de hand naar de literatuur van onze oosterburen. Het minzame instituut inviteerde de Duitse schrijver Eugen Ruge, de laatste laureaat van de prestigieuze Deutscher Buchpreis, om zijn debuutroman 'In tijden van afnemend licht' voor te stellen. Ruge benadrukt vooral dat hij geen politieke boodschapper is. Hij wil dat we de Oost-Duitsers zien als mensen die in hun betrachting, onder weliswaar barre omstandigheden, een normaal leven te leiden zich wezenlijk in niets verschillen van zij die ten westen van de muur woonden.

CE: Kurt, een personage uit de roman, beslist op een gegeven moment te schrijven over zijn jaren in een goelag. Wat bracht jou ertoe een boek te wijden aan de geschiedenis van uw familie? 

ER: Ik was gedreven door een innerlijke overtuiging dat het moest gebeuren, iedere vezel van mijn lichaam drukte het belang ervan uit. Nochtans had ik in het begin behoorlijk wat twijfels: ik was niet zeker dat het boek nog relevant zou zijn, twintig jaar na de val van de Muur. Toen ik in 2009 de Alfred-Döblin-Preis won, was ik overtuigd dat het boek interessant was, dat er een publiek was dat zich aangesproken voelde. Ook in een ander opzicht was die onderscheiding ongelooflijk belangrijk: de uitgevers stonden in de rij om mijn boek te publiceren. Het stelde me in staat me volledig te verliezen in het schrijfproces. Toen ik de DDR verliet in 1988, amper een jaar voor de Wende maar toch in een ander tijdperk, betreurde ik de saaiheid van mijn thuisland. Ik hapte er naar adem. Een hele tijd later lukte het me om afstand te nemen. In de tussentijd sprak met veel mensen, las biografieën en hervond op die manier mijn verloren gewaande interesse. Op het einde van de jaren negentig schreef ik een theaterstuk over twee oude communisten, deels geënt op het leven van mijn grootouders. De tekst werkte, de voorstellingen werden goed onthaald. Ik realiseerde me dat het verhaal van mijn familie te groots was om te vatten in één voorstelling. Mijn vader, als laatste van de oudere generatie, stierf in 2006. Ik besefte dat de tijd gekomen was om er aan te beginnen, hoewel het om verschillende redenen allesbehalve evident was.

CE: Het boek brengt vier generaties samen, elk met een uniek relaas en een eigen beleving. Waarop heb je je gebaseerd om hun verhalen te reconstrueren?

ER: Het verhaal is deels gebaseerd op een gedegen onderzoek, maar is uiteraard ook voor een stuk verzonnen. Ik raadpleegde de archieven van de communistische partij en reisde naar Moskou om me te verdiepen in historische documenten van de Comintern. Ik had ook brieven, van mijn vader en moeder, maar ook van mijn grootouders. Mijn vader (de DDR-historicus Wolfgang Ruge, red.) heeft tijdens zijn loopbaan indrukwekkende familiekronieken bijeen geschreven: deze teksten, die teruggaan tot de 17de eeuw, bevatten begrijpelijkerwijze zeer veel informatie. Hoewel 'In tijden van afnemend licht' autobiografisch is, vergde het een grote voorbereiding, vooral omdat ik veel belang hecht aan het decor waartegen het verhaal zich afspeelt, namelijk het einde van een ideologie, de ondergang van een geloof. In mijn familie werden veel verhalen verteld, minstens evenveel werd echter niet verteld. Zo hebben mijn grootouders nooit gepraat over hun verzetsperiode, hun engagement als agenten van de Comintern, de undercoveroperaties in West-Europese steden, de politieke toestand in Mexico na de Tweede Wereldoorlog. Daarover repten ze met geen woord. Wat ik ervan af weet, vertelde mijn vader me. Mijn onderzoek heeft me veel bijgebracht.

CE: De personages zijn behoorlijk mild voor het systeem. Hoe blik je zelf terug op het leven in de DDR?

ER: Ik heb vooral empathie voor de mensen, niet voor het socialisme zoals het toen bestond. Vergis je niet, er was een groot verschil tussen het Sovjet-socialisme, waarover ik niets schrijf in de roman, en het regime in de DDR. Bij ons was er geen goelag, geen moordpartijen, ook al was er onderdrukking. Ondanks de dictatuur die ons onder de knoet hield – we mochten het land niet uit, het is dus niet overdreven te stellen dat we chronische gevangenen waren –, ondanks die harde omstandigheden dus waren we ook maar mensen, net zoals jij en ik dat zijn. We probeerden overeind te blijven, een zo normaal mogelijk leven te leiden. Het boek is een langgerekte poging om dat duidelijk te maken. Ik vraag jullie de Oost-Duitsers te zien als mensen, haal ons uit de context van het politieke systeem dat het Oosten in de ban hield. Boeken over de DDR zijn vaak uitgesproken politiek; mijn roman daarentegen draagt geen enkele politieke boodschap in zich. 

CE: De samenleving waarin we leven bepaalt grotendeels onze identiteit. Hoe gingen de mensen in de DDR om met de politieke context?

ER: Het gevoel dat we tweederangs burgers waren, leefde enorm onder de bevolking van de DDR. Het was alsof we buiten de realiteit stonden. We moeten durven onderkennen dat we Oost-Duitsers zijn, dat lukt alleen door erover te praten, door ons verhaal neer te schrijven. De geschiedenis kleurt onze persoonlijkheid in, zit in onze DNA-structuur. Het is onmogelijk dat te negeren, het hoeft zelfs niet. Ook al werden we op een politiek niveau herenigd, het feit dat we elk onze eigen biografie hebben, die beide even waardevol zijn, blijft overeind. Hoewel er van vrijheid zoals die in het Westen bestond, in de DDR geen sprake was, leidden we een interessant, waardevol, maar veeleisend leven. Het gaat erom ons zelfbewustzijn te herwinnen, en zelfverzekerd de toekomst tegemoet te zien.

CE: Het dagelijkse leven in de DDR kleurt de roman. Wat houdt ostalgie voor jou in?

ER: Het betekent dat je de dingen beter herinnert dan ze in feite waren. Ik ben hoegenaamd niet ostalgisch, ik herinner me het leven zoals het was. Het is maar goed dat de DDR niet meer bestaat, dat de verschrikkingen van de Sovjet-Unie tot het verleden behoren. Ostalgie manifesteert zich op een intense manier, maar er zijn uiteraard ook mensen die afkerig zijn tegen alles wat stamt uit de periode van voor de Wende. Er zijn verschillende redenen waarom mensen willen teruggrijpen naar het verleden. Na de val van de Muur wilden we ons leven te vlug herinrichten, met het Westerse model voor ogen. De mensen dachten hun identiteit te vlug af te zijn, maar als je probeert iets te onderdrukken, duikt het eerder vroeg dan laat terug op. Velen onder ons vonden trouwens dat er van een echte eenmaking geen sprake was, dat het Westen het Oosten overnam, het inpalmde. Ik vind het persoonlijk moeilijk om een oordeel te vellen, ik ben in de eerste plaats een schrijver. Het was nooit mijn bedoeling een standpunt in te nemen, ik wilde alleen tonen wie we zijn.

CE: Vooral in de jaren tachtig verlieten veel mensen de DDR om hun geluk te beproeven in het Westen. Het is een traject dat ook Alexander, een van de personages, kiest. Was het moeilijk om die beslissing te nemen?

ER: Als je een ideologie loslaat en het geloof in een maatschappelijk bestel verliest, als de zin ontbreekt van alles wat je voorheen als vanzelfsprekend ervaarde, begin je te zoeken. Dat is exact wat Alexander, die het systeem de rug toekeerde lang voordat de Muur viel, doet. Hij hoopt iets te vinden, maar eigenlijk weet hij niet goed wat. Het is niet voor niets dat hij naar Mexico gaat, waar hij net als zijn grootmoeder Teotihuacán bezoekt. Deze spirituele omgeving, waar men volgens de Azteken god wordt, blijkt echter niets dan een toeristische trekpleister te zijn. Zijn ontgoocheling verrast niet, maar is wel tekenend voor zoveel Oost-Duitsers die dachten dat hun vertrek hen zou bevrijden.

CE: De slotpassage is als enige geschreven in een toekomstig perspectief. Hoe kunnen we dat interpreteren?

ER: Dit hoofdstuk roept veel vragen op. Ik kan er zelf geen sluitende verklaring voor geven. Mijn gevoel gaf me in dat ik moest eindigen in de toekomst. De leeservaring wijzigt abrupt, ruimt de baan voor een aantal vraagtekens. Je kunt het interpreteren als een vormelijke keuze, waar ik persoonlijk veel belang aan hecht. In een boek verheft de vorm de inhoud. Alexander, hoewel een terminale patiënt, heeft nog enkele jaren te leven. Die gedachte maakt zijn leven waardevol. In die zin sluit het open einde naadloos aan bij Alexanders toekomst.

CE: Het boek is opgedragen aan "jullie". Wie heb je in gedachten?

ER: Ik laat dat in het midden: het is voor diegenen die zich geadresseerd voelen, die zich door deze roman aangesproken weten.

 

Foto: Tobias Bohm(c)