David Pefko

Interview met David Pefko

'Ik vind het heel erg vervelend om tussen een rijtje mensen te moeten gaan zitten. Bang, zwetend en waarschijnlijk ook ziek, omdat ik niet heb kunnen slapen'. Zo klonk het toen we aan de vooravond van de uitreiking van de Gouden Boekenuil spraken met David Pefko. 'Het is een dermate grote prijs, dat ik heel teleurgesteld zou zijn als ik niet win, maar die kans is heel groot. Ik denk dat ik daar wel mee kan omgaan'. Lachend voegt hij eraan toe: 'Ik zet het daarna gewoon op een zuipen'. Als er gedronken werd, dan was het om zijn overwinning te vieren. Een gesprek over zijn schrijven en zijn winnende roman, 'Het voorseizoen'.

Het hoofdpersonage Steve Mellors is een dikke, kalende en gescheiden vijftigjarige pornoverslaafde. Het is een eenzame, intrieste figuur. Toch is hij heel herkenbaar. Op de achterflap waarschuw je ons er ook voor dat de kans groot is dat we Steve al zijn of zullen worden. Staan we er zo slecht voor?

Ja, eigenlijk vind ik van wel. Uit dat tekstje spreekt een zekere dreiging en die sfeer zit ook in het boek. Steve Mellors is een gemiddelde man. Een gewone man die wat pech heeft en dan de verkeerde keuzes maakt. Dat kan in principe iedereen overkomen, die kans is echt reëel aanwezig. De liefdeloosheid en de verslavingen: dat hoort allemaal bij deze tijd. In die zin denk ik dat we er met z'n allen behoorlijk slecht voor staan. Niet dat ik een oud mannetje ben dat nu terugblikt, maar in wezen was het vroeger natuurlijk een stuk beter. De manier waarop je vandaag de hele tijd met elkaar verbonden bent en elkaar constant op de hoogte houdt van wat je aan het doen bent, dat houdt niet op. Als je niet uitkijkt en geen sociale controle hebt, dan ontspoor je.

Had je dan de bedoeling een maatschappijkritisch boek te schrijven?

Dat wordt gezegd, maar dat was helemaal niet de bedoeling. 'Het voorseizoen' is gewoon een weergave van hoe ik denk dat het er nu uitziet en hoe ik die ene man geplaatst hebt. De feiten eromheen heb ik gewoon wat aangedikt. Ik heb geen grote moraliserende boodschap, noch wil ik de lezer de ogen openen. Eigenlijk was het idee van de roman dat ik zou doen wat nog niet zoveel gebeurt: dat ik zou laten zien dat er ook gewoon gegeten en gedronken wordt. Bij heel wat boeken en films denk ik steeds: 'Hé, dit is al de derde dag dat er niet gegeten werd, dat kan niet'. Deze alledaagse momenten worden zo vaak weggelaten, terwijl ze net zo veelzeggend zijn. De herhalingen in het boek zijn tekenend voor het echte leven.

Toch lijkt het verhaal naar het einde toe een haast mythische, universele bijklank te krijgen.

Dat snap ik, maar toch was dat niet met opzet. 'Het voorseizoen' staat in het teken van een soort realisme. Deze specifieke samenloop van omstandigheden kan nu eenmaal voorvallen. Op het Griekse eiland Kos, waar het boek zich deels afspeelt, gebeuren er trouwens heel wat rare dingen. Het is er heel naar. Zo is de berg op het einde van het boek echt een beladen plek. Een vrouw die vreemd was gegaan is er ooit vastgebonden door haar man. Ze was heel bang voor insecten en nadat hij haar had ingesmeerd met honing, liet hij haar achter. De vrouw werd gelukkig gevonden, maar die plaats is de eenzaamheid zelve. Toen ik er zelf was, besefte ik dat ten volle.

Putte je vaker uit de realiteit voor dit boek?

Er zit eigenlijk heel veel realiteit in. Ik heb zelf enkele jaren in Griekenland gewoond. Daar heb ik mijn debuut en ook het begin van dit boek geschreven. Het personage van Steve zag ik zitten in een bar. Het was een Engelsman en het leek me niet meer dan normaal hem ook in Engeland te laten wonen. Daarnaast vind ik verhalen die zich in Nederlandse steden afspelen gewoon niet zo leuk om te lezen. Ook mijn oude buren in Amsterdam zitten in het boek. Hun naam werd zelfs behouden. Ze hebben mij getergd met verschrikkelijke verbouwingen, net onder de kamer waar ik aan het schrijven was. 's Nachts gingen ze ook in de tuin werken, met van die idiote mondkapjes op. Dat moest er sowieso in (lacht). Met de figuur van Anca heb ik grote moeite gehad, omdat ze gebaseerd zou kunnen zijn op iemand die ik heel goed gekend heb.

In vergelijking met jouw debuut 'Levi Andreas' houdt u er een andere stijl op na.

'Het voorseizoen' is een heel ander boek, met een ander hoofdpersonage. De stijl moest nu meer in dienst staan van het verhaal. Het mocht allemaal wat banaler en vlakker, de zinnen mochten minder mooi zijn. Het moest er zo staan zoals het ook in het echt zou zijn.

Waarom schrijft je en hoe ga je te werk?

Ik wil wel een verhaal vertellen, maar zal pas iets schrijven wanneer ik er zelf volledig in ondergedompeld ben. Dan wil dat ook gewoon graag neerpennen. Meestal heb ik een buitenproportioneel relaas in mijn hoofd. Het inkorten is moeilijk, omdat ik best wel langdradig kan zijn. Ik wil heel volledig zijn, met heel wat details. Ik benader een boek daarom niet als schoonschrijven, als een geheel van mooie poëtische zinnen. Ik zie het veeleer als een soort film. Ik maak geen aantekeningen en laat de film komen. Pas wanneer die min of meer volledig af is, sla ik aan het schrijven. In die zin ik hoef ook bijna nooit te herschrijven, noch terug te lezen. Het einde en het begin komen altijd bij elkaar ergens in het midden. Het klinkt misschien een beetje arrogant, maar het is heerlijk om zo te werken (lacht).

Je bent volop bezig aan een derde roman. Wat mogen we verwachten?

Het is autobiografische fictie en het hoofdthema is liefde, maar hopelijk op een heel andere manier dan ik de laatste tijd nog heb gelezen. De hoofdpersoon verlangt er erg naar om eens kapot te gaan aan liefde, zij het niet op een normale manier (lacht). Het lijkt alsof liefdesdood in hedendaagse literatuur niet meer voorkomt. Het is sowieso een liefdeloze tijd. Die ene ware is er niet; er lopen er heel veel rond. Er zijn vandaag genoeg manieren om een partner te vinden. In die zin is het verschil tussen ware liefde van toen en ware liefde van nu bijzonder groot. Dat vind ik iets heel interessants. Waarom is dat in godsnaam zo gegaan? Het is eigenlijk ontzettend treurig. Alles is vandaag zo afgevlakt. 'Maak eens echt ruzie', denk ik dan. Het betekent het einde van de grote romantische liefde. Hoe dit verder moet? Geen enkel idee.

Op facebook maakte je een profiel aan met de naam Louis Nanet. Is dit een literair, sociologisch project?

Het is begonnen omdat ik facebook saai vond en er daarom niet mezelf wilde zijn, maar iemand anders. Met Nanet kon ik verschrikkelijke meningen spuien, taboes creëren die er al lang niet meer waren en zien wat dat opleverde. Nanet is gaandeweg een gezamenlijk kunstwerk geworden. Om hem heen is een groep ontstaan van andere fictieve mensen. Het is voor mij een uitlaatklep, de vervanging van televisiekijken. Ik laat hem zo nu en dan iets zeggen en daar komen heel wat fijne dingen uit voort. Als ik de hoofdredacteur van NRC Handelsblad bel en vraag of hij een stuk wil, dan zegt hij: 'Goed, maar dan als Nanet, niet als jezelf' (lacht). Het einde nadert wel. Eind mei komt er een hele grote veiling. Dan worden alle spullen verkocht die Nanet ooit heeft gehad en komt er een verzamelboek uit.

In 'Het voorseizoen' schuimt Steve de internetfora af op zoek naar reacties over zichzelf. Doet je dit ook?

Ik google mezelf, helaas, elke dag één keer. Het laat mij helemaal niet koud. Ik merk wel dat ik vroeger kapot kon zijn om een slechte recensie of nare commentaren, terwijl ik daar nu heel hard moet om lachen. En dat is geen arrogantie. Ik besef nu gewoon dat de één dit denkt, de ander dat. Het kan mij ook heel blij maken. Toen mijn eerste boek net uit was, was ik helemaal ontroerd toen een totaal onbekend iemand mijn werk gelezen had en het vermeldde op zijn blog. 'Dit is wat je moet bereiken, dit is het mooiste wat je kan bereiken', bedacht ik toen. Dat is echt zo, dat is heel mooi. Iemand heeft gewoonweg gelezen wat jij hebt gemaakt en heeft daar een mening over of geeft het als tip aan iemand. Zo werd het voor mij nog tastbaarder dat zo'n boek gewoon in de winkel ligt. Ik durfde helemaal de winkels niet in. Ik kon het niet zien liggen, het was me te schaamtevol. Een grote schande vond ik het.

Wij vinden het vooral zeer fijn dat jouw werk op onze schappen is beland. Hartelijk bedankt voor dit fijne gesprek.

Nieuwsbrief 7/7