Het Nederlandse minderheidskabinet van premier Mark Rutte is gevallen. Gedoogpartner Geert Wilders bedacht na weken onderhandelen dat het misschien toch niet zo’n goed idee is om nog maar eens miljarden te besparen. Opvallend genoeg gingen maar weinig commentatoren daar inhoudelijk op in. Net nu de helmboswuivende Limburger misschien wel eens gelijk zou kunnen hebben – voor alles is er blijkbaar een eerste keer – richten de media zich liever op de vraag of Wilders wel een betrouwbare coalitiegenoot is. In zijn jongste boek beargumenteert Willem Schinkel dat Wilders wel vaker als politiek afleidingsmanoeuvre dient om het niet over de kern van de zaak te hebben. Maar bovenal is ‘De nieuwe democratie. Naar andere vormen van politiek’ een oproep om terug te geloven in de maakbaarheid van de samenleving.
Schinkel is verbonden aan de Erasmushogeschool Rotterdam en als goed socioloog houdt hij in dit boek over populisme en democratie een vurig pleidooi om het niet over de persoon Wilders te hebben, maar over het systeem dat achter hem schuilt. In heel zijn betoog is het Schinkel te doen ‘om te breken met naïeve individualiserend-reductionistische opvattingen van sociale systemen’. In tijden waar het meer over de ontslagvergoeding van Bert De Graeve gaat, dan over de gestoorde kapitalistische logica van Bekaert, is dat een echte verademing.
Het gevolg is wel dat ‘De nieuwe democratie’ een erg complex boek is waarin het jargon je om de oren vliegt. Schinkel, duidelijk beïnvloed door Pierre Bourdieu, sluit geen enkel compromis met zijn lezers. Dat komt de leesbaarheid niet altijd ten goede. Daar staat tegenover dat ‘De nieuwe democratie’ een zeer rijk werk is waar een recensie van 3.600 karakters geen recht aan kan doen. Naast een analyse van de huidige democratie buigt Schinkel zich bijvoorbeeld ook over de multiculturele samenleving. Daarvoor haalt hij de provocerende ideeën uit zijn vorige boek, ‘Denken in een tijd van sociale hypochondrie’ nog eens boven. Net als Jan Blommaert in zijn recente ‘De heruitvinding van de samenleving’ beargumenteert hij dat er in zijn land eigenlijk nooit een multicultureel beleid gevoerd is. Op het eerste zicht mogen de ideeën van Schinkel radicaal links – en dus politiek incorrect – lijken, het zijn wel gedachten die opnieuw uitgesproken worden. Net als Loïc Wacquant recent, pleit hij er bijvoorbeeld ook voor om een basisinkomen in te voeren. Hoe legitiem is immers het dogma ‘dat iedereen moet werken in een structuur die niemand gekozen heeft en die zichtbaar irrationele en selectief destructieve effecten heeft’?
Dat basisinkomen is trouwens niet de enige oplossing die Schinkel presenteert. Zo maakt hij zich sterk voor een kritisch nationalisme ontdaan van al zijn ranzige kanten. Door, zoals links nu doet, nationalisme louter als een waanbeeld weg te zetten, verdwijnt het immers niet. Bovendien heeft het een enorm wervende kracht. De vraag is natuurlijk of de aantrekkingskracht net niet ligt in haar racistische, uitsluitende karakter. In Vlaanderen kwam Spirit enkele jaren op met een programma dat aan dat kritisch nationalisme deed denken, maar dat bleek uiteindelijk toch een partij die in haar geschiedenis meer namen dan kiezers had. Om het met Jeroen Olyslaegers te zeggen: ‘Wij dat is toch vooral gij niet’.
Maar zoals Schinkel terecht stelt, is het niet de taak van de intellectueel om pasklare alternatieven uit te werken. De kracht van ‘De nieuwe democratie’ is dat het je vragen doet stellen omdat het je beter naar de politiek doet kijken.


Reageer