Wies De Graeve, 'Het recht om mens te zijn'

Mensenrechten als moreel kompas

In ‘Het recht om mens te zijn’ toont Amnesty-directeur Wies De Graeve een onwrikbaar geloof in de almaar vaker onder druk staande mensenrechten. Het zeventigjarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens versterkt zijn vraag om die mensenrechten hoog op de maatschappelijke agenda te blijven zetten.

Aan de Verklaring gaat een lange en rijk vertakte voorgeschiedenis vooraf. Toch is net die basistekst het algemene uitgangspunt, zeker ook omdat die de verdere uitbouw van een juridisch kader heeft mogelijk gemaakt via allerhande eruit voortvloeiende verdragen en conventies (o.a. het kinderrechtenverdrag en het antifolterverdrag).

Velen beschouwen mensenrechten als theoretisch of abstract. Niet dus. Al is het wél zo dat het juridische kader zich niet altijd even gemakkelijk in de praktijk laat omzetten. Soms lukt dat (‘Mag je een terreurverdachte folteren? Neen.’). Bij andere thema’s waar de realiteit zich heel wat weerbarstiger toont, zoals asiel en migratie, ligt dat moeilijker.

De Graeve licht in een handvol capita enkele ‘mensenrechtenhotspots’ toe – waaronder veiligheid, gerechtigheid en privacy – zonder daarbij de rol van de (inter)nationale socio-economische context te negeren. Aandacht is er onder meer voor prangende, actuele hangijzers zoals de vluchtelingenkwestie of het hoofddoekendebat. Tegelijkertijd geeft hij ook aan dat niet alles in dit boek aan bod komt, zoals bijvoorbeeld bepaalde technologische ontwikkelingen of de klimaatuitdaging.

Bedoeling van dit werk is onder meer om blijvende aandacht voor (universele) mensenrechten te garanderen. Daarbij pakt de auteur enkele nog altijd heersende misvattingen aan (‘universeel is niet uniform’), wijst hij op nieuwe bedreigingen (sterke polarisering onder invloed van pers en media) en beklemtoont hij in een trek door de sterke emancipatorische kracht van mensenrechten.

‘Het recht om mens te zijn’ draagt de heel persoonlijke, solide onderbouwde en genuanceerde stempel van De Graeve die zich uit als vurig tegenstander van de doodstraf, maar ook als bevlogen pleiter voor de invoering van kleinere detentiehuizen en alternatieve strafvormen. Hij gaat voorbij aan enige academische of wetenschappelijke pretenties en wil met dit werkstuk vooral informeren en overtuigen. Dat lukt hem wonderwel, al is het misschien nog maar de vraag of – gezien de soms sterk moraliserende ondertoon – dit boek wel zijn weg naar de juiste handen zal vinden.

Dit toegankelijk, boeiend en vlot lezend boek over mensenrechten als moreel kompas is een product van sociale bewogenheid. De wil om ‘het goede’ te doen op de weg naar vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid is een ontzettend mooi en nobel streven, maar blijkt in de praktijk ontegensprekelijk ook enorm complex. Het is een dagelijkse opdracht die niet zonder slag of stoot gaat. Talloze alternatieven, strategieën en oplossingen zijn denkbaar, al ligt de sleutel tot succes vooral bij het basiswerk van onderen uit (via individuen en grass roots-bewegingen). Zo leert dit erg zinvolle, uiterst nuttige en bovenal erg informatieve werkstuk.

Details Non-fictie
Uitgeverij: Pelckmans Pro
Jaar:
2018
Aantal pagina's:
120