Walter van den Berg, 'Van dode mannen win je niet'

Een hondse dreun

De klappen waarmee een man een moeder aftuigt tasten dieper dan een geschaafde wang of een oog dat halfdicht zit. Walter van den Berg, nog zo'n in Vlaanderen onbereisde auteur, weet waarover hij schrijft. 'Van dode mannen win je niet' verwijst naar de ellende die zijn moeder heeft meegemaakt. En hijzelf dus ook.

Een therapeutische roman denk je dan, met de vereffening van een openstaande rekening als leidmotief. Een aanname die als je van den Bergs blog erbij neemt, enige nuance verdraagt. Dat hij aanvankelijk met de demon uit zijn jeugd in zijn hoofd zat is juist, maar de man die hij achterna zat is tijdens het schrijven 'rustig maar vastberaden weggelopen van de vriend die mijn moeder had'. Bijzonder is dat de weerslag van die tragische episode pas achteraf gloorde, nadat de verbanden helverlicht zijn geest binnendrongen. 'Alles wordt een beetje helderder, en helder is niet per definitie fijn en fris.'

Van den Berg opteerde voor één vertelperspectief, een man die een jongen aanspreekt. 'Je moeder knipte mannen voor geld.' Die benige aanzet van de roman is de maat voor wat komt. Onderkoeld is het proza dat hij belijdt, ontdaan van doorwrochte zinsconstructies of weelderige taal. De man besluipt met mooie praatjes de moeder van de jongen. Klinisch overloopt hij zijn leven, de handeltjes die hij opzet, de vrouwen in wiens leven hij onvermijdelijk een voorbijganger is. In geen tijd lult hij zich de perimeter van hun veilige twee-eenheid binnen. Dat het uit de hand zal lopen, is voor hem onvermijdelijk.

Die woede, een evidentie als er een paar biertjes aan te pas komen, tracht hij bij het begin van weer een nieuwe vrouw weg te moffelen. Hij verbeeldt zijn agressie met de slangen: 'ik wist nooit precies wanneer ze kwamen, maar ik had er nu geen zin in, en het zou onhandig zijn – zover was ik nog niet bij jullie.' Het argeloze bijzinnetje waarin hij als het ware zijn timing voor geweld verduidelijkt, typeert de in hem woekerende kanker van razernij. Het masker moet zijn tijd meegaan. Hoezo onbedwingbare slangen?

Door hem banaliteiten in de mond te leggen – 'Bus 18 reed langs en er zaten twee mensen in.' –, illustreert van den Berg de geestelijke leegte van de hoofdpersoon. Met een Reviaanse verveling sleept die zich door het leven. Als hij een kroeg binnenstapt: 'Ze keken op toen ik binnenkwam, ze kenden me al, dus ze keken weer terug naar hun glazen, en ze zaten allemaal wat voor zich uit te staren.' Of als hij de moeder van de jongen weer eens neersloeg: 'Ik keek een tijdje naar haar terwijl ze op de grond lag en er reed een man op een brommer langs en de man keek recht voor zich uit.' Een scalp is het beslist niet, zijn reputatie.

Barokke uithalen vind je niet in 'Van dode mannen win je niet', er valt ternauwernood één metafoor te bespeuren. En toch is de roman een hondse dreun die het leed achter de statistieken over geweld binnen het gezin tastbaar maakt. Het beeld van de meedogenloze hufter lijkt in te krimpen als hij het opneemt voor de schuchtere jongen. Maar vergis je niet, de schaarse momenten waarin van den Berg de mechanismen onthult waarachter de man zich verbergt, zijn niet mis te verstaan. 'De volgende keer dat het misging, was dat omdat ze bang was dat het misging.' Zoveel emoties losweken, in een van opsmuk ontdane stijl: het is weinigen gegeven. Van den Berg schreef een roman met de rauwheid van een film van de gebroeders Dardenne, en dat wil wat zeggen.

Details Fictie
auteur: Walter van den Berg
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
208