Roderik Six, 'Vloed'

Dystopie of niet?

Roderik Six buigt zich in zijn debuutroman ‘Vloed’ over de vraag wat overblijft van een mens als zijn leven drastisch overhoop wordt gehaald. De personages kantelen uit de samenleving, ze weren elkaar af. Van de apocalyps die de regen inluidt trekken ze zich weinig aan.

Vriendschap gedijt vanouds goed in de literatuur, dat is vandaag niet anders. In ‘Het licht’ onderzoekt Jeroen Van Rooij de symbiose van zes jongeren en hoe die uiteenvalt. Piet Joostens schreef het voortreffelijke essay ‘Over de vriend’, een literaire bloemlezing over vriendschap. De aanhef van ‘Vloed’, waarin vier studenten geïsoleerd raken, neigt naar die thematiek, maar dat is zonder Six gerekend. Hij stuurt hun zucht naar gezelligheid resoluut terug naar af. De balans is luguber. ‘Achter me woekert de toekomst.’ Finaal wendt de auteur de misantropie, waarin het verhaal dreigde te verzanden, af.

Het relaas speelt zich af in een studentenhuis op een heuvel naast een stadskern, nadere geografische rekwisieten geeft Six niet prijs. De auteur draalt niet langer dan nodig, van meet af aan regent het. In eindeloze variaties valt de neerslag uit de hemel. ‘Stofregen vlijt neer op ons gezicht. Als een arm vlies ligt het water op onze huid.’ Aanvankelijk is de stemming euforisch, is het water dat alles in een permanente greep van druppels houdt vloeibaar manna. In een roes van bier en drugs, waarvan de bron net als de regen nooit opdroogt, schuiven vier studenten - de anderen zijn samen met de stadsbewoners geruisloos uit het bereik van de radar gewist - de voor de hand liggende vragen over hoe het verder moet voor zich uit. Over de noodzaak van een plan bestaat geen twijfel, het wassende water krimpt hun toekomstperspectieven drastisch in.

'Vloed' imponeert door de uitzichtloosheid die de interactie tussen de personages verlamt. Six tast de contouren af van wat aanvankelijk op een goede verstandhouding lijkt. Als de realiteit en de voorwaarden waarin ze gewend waren te leven, steeds meer afbrokkelen, wankelt de onderlinge loyautiteit van de vier. Gespreksstof is er niet meer. 'Nina zegt niks en ik zwijg.' Zijn het nog vrienden? Ultra, een experimentele drug, houdt de verveling en wanhoop slechts tijdelijk af. In de achterkamer waar de high hen naar toe drijft, leunen de vier argeloos achterover.

Six heeft zich zichtbaar uit de naad gewerkt om een evenwicht te vinden tussen taal en plot. Van de lezer verwacht hij dezelfde inzet, om te benoemen wat hij bewust onberoerd laat, om uit te maken of het verhaal louter een dystopie is. De metaforen zijn vaak goedgemikt, omdat ze het verhaal versterken, tastbaar maken hoe de ellende om zich heen grijpt. ‘Haar hoofd knakte naar beneden alsof mijn antwoord haar nek gebroken had. Haar armen vielen slap langs haar lichaam, een marionet zonder poppenspeler.’ Six ramt een inktzwarte interpretatie van de beschaving door de strot van de lezer. Hij zoekt met taal naar wat het verstand te boven gaat. ‘Vloed’ overtuigt door de balans tussen wat geschreven is en wat niet, de vele fraaie zinnen en de afwezigheid van een moeras aan verhaallijnen en anekdotes. En of we Roderik Six in de gaten zullen houden.

Details Fictie
Auteur: Roderik Six
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
352