Peter Swanborn, 'Het huis woont in mij'

'Swanborn maakt ons stil.', liet de jury van de J.C. Bloem-poëzieprijs in 2011 optekenen over de bundel 'Tot ook ik verwaai'. Die vlieger gaat meer dan op voor 'Het huis woont in mij'.

Met 'Het huis woont in mij' opent Swanborn met een reeks gedichten rond de dreigende sloop van het huis uit zijn jeugd. We hebben het zelf ongeveer meegemaakt - de vreemde gewaarwording de school te passeren waarvan het voelt alsof je ze maar net ontgroeid bent, terwijl de sloophamer al dreigend klaarstaat. Maar wat voel je dan?

Verlangen onder meer. In 'Terug' glipt Swanborn door een onbestemde opening het verleden in, terug naar de keuken waar zijn lachende moeder kookt. In het titelgedicht laat Swanborn de desolate aanblik van het huis contrasteren met zijn eigen blindelingse herinneringen. Maar we kunnen uiteraard niet verlangen naar iets wat binnen ons bereik ligt. In 'Achteruitgang' is het verleden daarom een overladen pakhuis van herinneringen waar we steeds maar moeten schiften en ruimen.  

Deel twee (Nooit alleen) en deel drie (Geen mens te zien) laten de thematische aanpak uit deel een varen. De gedichten in 'Nooit alleen' maken de opdringerige aanwezigheid van de onbestemde ander erg tastbaar. Nu eens is de dichter de figuur die achteraan de rij dient aan te sluiten, dan weer vinden we hem ruggelings aan het plafond geplakt, of belandt hij als ouderwetse buizenpost in een mand. 'Geen mens te zien' daarentegen laat veel meer ruimte voor observatie. De dichter - deze keer van geen mens gestoord - schilt een peer, stoot op een spoor in de sneeuw dat plots ophoudt, of op een slakkenspoor dat het even plots voor bekeken houdt. Hadden we al gezegd dat verlangen, gemis en verwondering als een rode draad doorheen Swanborns gedichten lopen?

Swanborn schrijft opvallend helder. Zijn zinnen zijn logisch, zijn woorden alledaags. Die helderheid combineert hij met erg persoonlijke gedachtegangen, waardoor je het voor je het weet in zijn hoogst persoonlijke universum belandt. Dat is gewaagd. Het lijkt ons toegankelijker om pakweg liefdesgedichten te schrijven waarvan velen, vaak niet helemaal correct, zullen zeggen, 'Zo voelt het precies', dan vreemde hoogstpersoonlijke gewaarwordingen te beschrijven die nog het dichtste beantwoorden aan ruggelings tegen het plafond geplakt te zijn.

Net daarom krijgt Swanborn ons inderdaad stil. We hebben het al gezegd dat we bij het passeren van een school die onder de sloophamer dreigt te komen, niet verder komen dan de gedachte dat het vreemd aanvoelt. Dan komt Swanborn te hulp, door net datgene wat zich uiterst zelden in hapklare zinnen laat verwoorden te willen beschrijven. 

Details Poëzie
Het huis woont in mij
Auteur: Peter Swanborn
Uitgeverij: Podium
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
45