Paul Mennes, 'Niets bijzonders'

Een bizar gevoel

De achtste roman van Paul Mennes is een stekelige collage van ziekenhuisrapporten, Facebookgesprekken en korte monologen van dode supersterren uit de Factory van Andy Warhol. Die ruwe brokstukken schudt hij tot een verdovende cocktail van eenzaamheid, verveling en onverschilligheid. Na het laatste hoofdstukje, een ongerijmde dialoog tussen Drella en Ondine, is het even naar adem happen.

In dat lappendeken van verwarrende impressies slentert schrijver Kasper Lazarus rond. Mennes spiegelde de hoofdpersoon aan zichzelf: net als Kasper trok hij op invitatie van City of Asylum naar Pittsburgh om er als writer-in-residence te schrijven aan een roman. Inderdaad de geboortestad van cultuuricoon Warhol en Mennes speelt daar handig op in. Om onze sterke contemporaine drang naar zichtbaarheid van alles wat we denken en doen - denk aan "pics or it didn’t happen" - te vergelijken met de extreme hunker van Ondine, Edie Sedgwick, Freddy Herko en andere aandachtjunks om uit de schaduw van de geestesvader van de pop art te treden en hun recht op vijftien minuten faam te claimen.

Panisch omdat hij geen letter op papier krijgt belt Kasper naar zijn uitgever Vic, die hem sust en voorhoudt dat alles goed komt. Hij adviseert hem te schrijven over zijn interesses, hij is tenslotte een spiegel van de samenleving. "Daar moesten we allebei om lachen" gooit hij er niet zonder zelfspot achteraan. Geen cliché uit onze literaire cultuur of Mennes maakt er laconiek komaf mee. Dat ironische register kun je als gemakzuchtig afserveren, maar het nepwereldje van hele en halve beroemdheden smeekt er wel om.

Warhol ging losjes om met de grote leegte. Beroemd zijn was voor hem niets meer dan een ambacht dat geld moest opleveren. Ook Mennes maakt zich weinig illusies over wat er achter die glitterende façade schuilt, maar hij heeft niet de morele superioriteit van Warhol om er zo achteloos mee om te gaan.

De ultrakorte stukken waarin hij de vedetten uit de vertrouwelijke kring van Warhol van stal haalt, zijn fraaie mozaïekjes van een tijd waarin het individu zich voorgoed bevrijdde van het maatschappelijke keurslijf. De ontplooiing van de eigen identiteit was van dan af onbegrensd, de blik gefocust op het eigen spiegelbeeld. Dat verhoogde zelfbewustzijn karakteriseert ook Freddy Herko: ‘Mijn jukbeenderen kunnen bij de minste ondoordachte beweging door de huid van mijn gezicht scheuren, zo scherp sta ik.’

En dan is er nog een Joker met een misantropische missie: "Er zijn zoveel klootzakken op de wereld. Wanneer ik klaar ben, zullen er een hoop minder zijn." De stenen om ‘Niets bijzonders’ te ontrafelen, liggen verspreid tussen de woorden. Hij zaait verwarring, lanceert een rits beelden waarvan hij niet verwacht dat de lezer er een verhaal uit puurt. "De som van deze delen had geen plot, de delen meestal ook niet."

Mennes schrijft op zijn best als hij emigreert naar een ander continent en zijn verbeelding ent op de vervreemding die hem daar overvalt. In ‘Niets bijzonders’ bouwt hij verder op het recept van ‘Het konijn op de maan’, waarvan de protagonist Sam Penn zijn grote liefde volgt naar Japan. Maar in tegenstelling tot Sam koestert Kasper geen greintje hoop. Zijn lijfspreuk heeft de zinloosheid van het leven als grondstof.

Hij serveert een bedwelmend staaltje van onthechtende literatuur zonder richtingaanwijzers. Misschien is dat wel de grootste verdienste van deze roman, dat het een fijnzinnige pastiche is op het experimentele en veelzijdige oeuvre van Warhol.

Details Fictie
Auteur: Paul Mennes
Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
Jaar:
2014
Aantal pagina's:
176