Michael Petry, ‘Stille levens – kunstenaars van nu geven een nieuwe visie op de nature morte’

Hoe stil kan kunst (nog) zijn?

Stillevens: elk respectabel kunsthistorisch museum heeft er meer hangen dan een mens vingers heeft. Zijn het rekwisieten uit een lang vervolgen tijdperk, of worden er vandaag nog altijd gemaakt? Als men het drie representatieve Vlaamse kunstenaars – pakweg Luc Tuymans, Michaël Borremans en Wim Delvoye – vraagt, dan klinkt het unaniem: ‘jazeker!’ Enkele van Tuymans’ stillevens gingen in een recent verleden immers in dialoog met werk van Giorgio Morandi in BOZAR, Borremans is mateloos geïntrigeerd door de nature morte (waarvan getuige enkele van zijn videoinstallaties) en de befaamde getatoeëerde varkens van Delvoye hebben Michael Petry’s meest recente publicatie gehaald, getiteld ‘Stille levens’. In dat boek onderzoekt de Amerikaanse kunstenaar de betekenis van het stilleven voor de actuele kunst.

In een inleidend hoofdstuk loodst Petry de lezer bondig doorheen de geschiedenis van het stilleven. De grondslagen van het genre en haar ontwikkeling doorheen de tijd worden er geïllustreerd aan de hand van enkele klassieke voorbeelden. Het feit dat de symboliek van het nature morte (dit is de meer gangbare term voor het stilleven, waarin het doodse element overigens expliciet aanwezig is) over decennia heen langzaam maar zeker aan andere betekenissen onderhevig wordt, wijst erop dat kunstenaars, zelfs tot eind de twintigste eeuw, bereid waren om het concept opnieuw te overdenken, te herdefiniëren. In vijf hoofdstukken, die samen het grootste deel van het boek vormen, ontleedt Petry aan de hand van de thema’s fauna, flora, huis & thuis, eten en dood hoe de kunstwereld vandaag met die traditie aan de slag gaat.

De term ‘stilleven’ is vandaag veel te beperkend geworden voor kunstenaars. De welbekende installatie waarin een versnelde video toont hoe fruit over het tijdsbestek van vele dagen totaal verrot, is ook een stilleven, zij het een die de mogelijkheid van stilstand volledig ontkent. Op een dergelijke manier gaat men tegenwoordig dus aan de slag met het aloude concept: niet langer gaat het om versteende portretten. Vandaag is het stilleven geen stijloefening meer in kleurgebruik, perspectief of lichtinval, maar dient het om met het publiek een dialoog aan te gaan. Zo verstuurt David Hockney dagelijks zelfgetekende bloemen via zijn iPad – misschien banaal voor wie ’s ochtends opstaat met een dergelijk digitaal boeket, maar eenmaal ze in een museale context zijn terechtgekomen, lijken ze een moderne allegorie voor technologisch positivisme.

Tegenwoordig geloven de meeste kunstenaars niet meer dat hun werk een dwingende maatschappelijke betekenis kan hebben; paradoxaal genoeg staat kunst op heden echter meer dan ooit in de samenleving. Het afbeelden van fruit doet bijvoorbeeld meteen de vraag resoneren waar het vandaan komt, hoe het is verpakt, tegen welke ecologische kost het in de rekken is beland, of het in aanraking is gekomen met sproeistoffen, enzovoort. Een stilleven verdraagt niet langer een kritiekloze blik, althans niet diegene die Petry in zijn boek heeft opgenomen. Met een zeer korte beknopte beschrijving van wat de kunstenaar precies voor ogen heeft gehad, wordt de lezer/kijker telkens didactisch op weg gezet om hun werk te appreciëren.

Behalve de veronachtzaming van de meer klassieke stillevens die nog altijd geschilderd worden, is het eveneens jammer dat Petry het meer over zijn zelfgekozen thema’s heeft dan over het eigenlijke stilleven. Niettemin is ‘Stille levens’ een boek dat de lijn van het verleden prachtig doortrekt naar een zeer inspirerend heden.

Details Non-fictie
Hoe stil kan kunst (nog) zijn?
Vertaling: Irene Smets, Erik Tack
Uitgeverij: Ludion
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
290