Marcel Proust, ‘Swanns kant op’

Van eindigheid naar eeuwigheid

Hoe begin je aan een vertaling van het legendarische ‘À la recherche du temps perdu’? Misschien door de vertaling als een quatre mains te benaderen, zoals een van de vertalers van ‘Swanns kant op’ liet optekenen. Martin de Haan ging kritisch door de hoofdstukken van Rokus Hofstede, en vice versa. Resultante is een knisperende, eigentijdse editie van een titel die in 2013 zijn honderdste verjaardag vierde. Maar was een nieuwe vertaling eigenlijk nodig? Ongetwijfeld, althans als je er interviews met Rokus Hofstede op naslaat. Die legt feilloos uit waar de grote verschillen zitten met de integrale cyclus van Thérèse Cornips, die nota bene recent opnieuw werd uitgegeven door De Bezige Bij.

Cornips groeide op in een tijdperk toen het Nederlandse taalgebied zich deemoedig verhield tot haar Franstalige evenknie. Vertalers dienden zich volgens de heersende literaire principes dienend op te stellen, en zouden een soort authenticiteit voor ogen moeten hebben genre ‘hoe zou Proust anno 1913 geschreven hebben’. Bijgevolg doet haar integrale vertaling van ‘Op zoek naar de verloren tijd’ aan als een getrouw en dus historisch gedateerd document, dat de lezer in de 21ste eeuw niet onmiddellijk bedient. Hoeft dat? Nee. Is het mooi meegenomen? Zeker. Hofstede heeft bovendien goede redenen om een modern timbre op te zoeken. Bepaalde effecten die Proust genereert door woorden te gebruiken die refereren naar modieuze tendensen of mondaine aangelegenheden, zijn ondertussen verstoken van betekenis voor wie het oorspronkelijke tijdskader onvoldoende kent.

Net om die reden leggen de Haan en Hofstede het personage Odette hier en daar een Engelse term in de mond. Het doet een beetje bevreemdend aan, en de lezer realiseert zich dat dergelijke leenwoorden niet uit het origineel komen, maar het gaat om het effect. Neem bijvoorbeeld de muzikale uitvoeringspraktijk, waar talloze uitvoerders vanuit soortgelijke motieven een lans voor hedendaagse instrumenten breken. Dergelijke instrumenten voelen vertrouwder aan voor een hedendaags publiek, en maximaliseren de intenties van de scheppende kunstenaar. En is dat niet altijd waar het musici en vertalers – beiden te beschouwen als ‘medium’ tussen historische bron en actueel publiek – om te doen is?

‘Swanns kant op’, dat meteen een pak snediger klinkt dan het tot voor kort gangbare ‘De kant van Swann’, is alleszins een schitterende vertaling, waar het duo trouwens langer aan heeft gewerkt dan initieel voorzien. Voorlopig lijkt er helaas geen vervolg in te zitten, mogelijks omdat De Bezige Bij inmiddels met een nieuwe uitgave van de reeds bestaande vertaling op de proppen is gekomen. Dat zou uiteraard geen belemmering mogen zijn, want ook hier is een vergelijking met de muziekwereld op zijn plaats. Concertzalen blijven met name vollopen voor Bach, Mozart, Beethoven en ettelijke anderen, precies omdat hun werken met enerzijds respect en anderzijds eigen visie onder handen worden genomen.

In die zin zou een voortgezet vertaalproject van het duo de Haan – Hofstede de algehele interesse rond Prousts magnum opus vermoedelijk aanwakkeren, maar dat pakt blijkbaar moeilijk in subsidiedossiers of bij ceo’s van uitgeverijen. Zonde, want ‘Swanns kant op’ is, ondanks Prousts oeverloos meanderende stijl, een taalbad vol ideeën en rake psychologie. Wie graag laveert in verloren gewaande herinneringen, ergens tussen eindigheid en eeuwigheid: deze vertaling is er een uit de duizend.

Details Fictie
Van eindigheid naar eeuwigheid
Originele titel:
À la Recherche du Temps Perdu - Du côté de chez Swann
Vertaling: Martin de Haan, Rokus Hofstede
Uitgeverij: Athenaeum - Polak & Van Gennep
Aantal pagina's:
512