Marc Reugebrink, 'Zout'

Koortsachtig zoeken naar de bron

Sinds 'Wild vlees' werkt dichter Marc Reugebrink (1960) gestaag verder aan een oeuvre met als recente titels 'Het Belgisch huwelijk' en 'Het huis van de zalmen'. Romans die terecht door critici op handgeklap werden onthaald.

'Zout', zijn jongste literaire worp, is alweer het product van een schrijver die zich meer dan ooit als een stilist pur sang profileert.

In een nabeschouwing maakt Reugebrink er geen geheim van dat het idee voor 'Zout' hem werd aangereikt door Karl Van den Broeck en hij tijdens het uitwerken ervan een beroep kon doen op de dames van het Zoutmuseum in Delden. Ze verschaften hem zo veel informatie dat zijn verbeelding op hol sloeg, met als uiteindelijk resultaat een harmonisch opgebouwde roman die je geen moment loslaat.

Een verhaal dat zich afspeelt in het landelijke Lende waar baron van Rüdersdorf Helmstadt de plak zwaait. De man heeft een obsessie: zoeken naar zuiver water. Julius Vrijmoedt, een goede vriend van hem, heeft hem er immers op gewezen dat heel wat ziekten, sterfgevallen en misgeboorten het gevolg zijn van het drinken van water uit de plaatselijke Buschbeek. Een constatering die voor grote onrust zorgt op kasteel 't Raesfelt waar de baron met zijn eega Agnes Christina verblijf houdt.

'Alles wat ook maar ooit in aanraking was gekomen met het moordende water moest eraan geloven: servies, glazen, handdoeken, maar ook de hele garderobe, waarvan vele stukken immers ooit gewassen waren in de Buschbeek. En dus liep barones Agnes Christina Helmstadt van Uitganck voortaan naakt en walmend door de gangen van 't Raesfelt.'

Er zit op zoek naar zuiver water niets anders op dan putten te graven in en rond het domein van het kasteel. De spade gaat diep in de grond, maar het resultaat is teleurstellend. Wat opborrelt is brak water, totaal niet voor consumptie geschikt.

Het  drijft de baron nagenoeg tot waanzin: alle middelen zijn voortaan goed om toch maar zuiver water naar de oppervlakte te halen. De komst van een boortoren uit Duitsland zorgt dan ook voor heel wat beroering in Lende. Het is het gesprek van de dag zowel op kasteel 't Raesfelt als onder de stamgasten in de kroeg De Burggraaf.

Helaas, ook dit is ijdele hoop net als het laatste gat dat Arend, de stalknecht van de baron, heeft gegraven. Alle hoop  is definitief verloren, alsof met het zoute water alle leven uit het dorp zal wegvloeien. Wat rest uiteindelijk nog? Enkel André Met De Honden - hij is al van bij aanvang van het verhaal prominent aanwezig - in een ultieme confrontatie met de barones. En of het allemaal verzonnen is of niet?

De auteur laat het in het midden en besluit met: 'Ik ging op mijn hurken zitten en keek  naar het vriendelijk pruttelende water. Ik vouwde mijn handen samen tot een kommetje en donk. Het was koud en helder en heerlijk,zoals water nu eenmaal is.'

'Zout' is een puntgave roman, al was het maar omdat Marc Reugebrink - de dichter is nooit ver uit de buurt -  een geciseleerde taal hanteert die de lezer verplicht langzaam te lezen.