Marc Reugebrink heeft een dochter en dat zal lezend Vlaanderen en Nederland geweten hebben. Onder de behoorlijk gewichtige titel ‘Het geluk van de kunst’ – niet te verwarren met ‘De kunst van het geluk’, materie waar de Dalai Lama al boeken over vol schreef – bundelt de winnaar van de Gouden Uil 2008 immers een aantal essays over de zin (en onzin) van de kunsten, om zijn dochter later van antwoorden te kunnen voorzien eenmaal ze vraagt ‘waarom?’ Niet oninteressant, want wie anders dan kunstenaars zelf zijn gemachtigd deze vraag te beantwoorden? Ten slotte zijn zij het die het dichtst bij de ‘bron’ van het kunstenaarschap staan (als er al zoiets zou bestaan) en die dus het best kunnen inschatten hoe fundamenteel kunstbeleving kan zijn in het dagdagelijkse bestaan.
De vraag is natuurlijk of Marc Reugebrink het meest geschikte individu is om na te denken over deze kwestie. Zijn bekroonde roman 'Het grote uitstel' werd in het mediacircus voorafgaand aan de uitreiking van de Gouden Uil niet unaniem lovend ontvangen en tegen kandidaten als Jeroen Brouwers, de zogeheten serieuze schrijvers, leek Reugebrink het in de pronostieken hoe dan ook te moeten afleggen. Kortom: waarom zouden we willen lezen wat deze man hieromtrent op papier heeft gezet? De schrijver doet er verstandig aan meteen te beginnen met zijn overwinning: wat betekent ze voor hem? Door zijn toenmalige uitgever werd de man op de avond van de uitreiking nog een debutant genoemd, terwijl zijn eerste publicatie twintig jaar eerder verscheen. Dit soort miskenning vreet aan een schrijver, maar Reugebrink ziet er een argument in waarom zijn schrijverschap een existentiële nood is. Als het niet van moeten was, waarom zou hij dan tegen wil en dank toch blijven vechten tegen de bierkaai?
‘Het geluk van de kunst’ is geen systematische analyse van waarom een mens kunst al dan niet nodig heeft. Reugebrink put uit concrete gegevens om er grotere ideeën uit te halen, waarbij men zich kan afvragen of deze anekdotische opstap wel noodzakelijk is om uiteindelijk tot de meer theoretische uiteenzetting te komen. De auteur maakt echter resoluut de keuze voor een boek dat de hand reikt naar iedereen die bereid is om breed over literatuur, kunst en media na te denken. Weinigen zullen het boek vermoeid dichtslaan en wat dat betreft verdient Reugebrinks welbespraaktheid een positieve markering. De taal is altijd helder, niet gespeend van eruditie, maar ze vertoont nergens een hang naar elitarisme. Dat laat de lezer toe een persoonlijke betrokkenheid te ontwikkelen bij de besproken materie.
De kwetsbare uitgangspositie van de auteur, die zijn persoonlijke leven in deze bundeling essays toeliet, maakt de opstap naar het dikwijls abstracte denken beduidend eenvoudiger, maar anderzijds stelt zich het probleem van de ‘noodzakelijkheid’ van bepaalde informatieverstrekking. Niet alle punten zijn, finaal beschouwd, even boeiend. Reugebrinks ‘Het geluk van de kunst’ heeft kortom zijn onvolkomenheden, maar het schitterende ‘Du musst dein Leben ändern’ (geschreven nog voor Peter Sloterdijk het als een filosofische strijdkreet aan Rilke zou ontlenen) alleen al maakt van deze publicatie een triomf. Er zit kwaadheid, vreugde en verdriet in dit boek: nooit in een hopeloze vorm, altijd met de blik op de toekomst. Waar moet het heen met de kunsten, met de kunstbeleving? Reugebrink weet het evenmin als ons, maar de uitnodiging om er samen over na te denken afslaan, zou zonde zijn.

Reageer