Maarten Boudry, 'Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat'

Cassandra voor de spiegel

'Het verhaal van onze vooruitgang […] is echt de waarheid', zo besluit Maarten Boudry in de inleiding van zijn nieuwe boek, dat als doel heeft onheilsprofeten van diverse pluimage te sussen. We staan niet op de rand van de afgrond. Integendeel, het wordt steeds beter. Veel beter. Cijfers en statistieken moeten dat ondersteunen. Zo legt Boudry niet zelden de vinger op de wonde. Hoewel deels een herhalingsoefening van Steven Pinker overtuigt het boek – echter niet over de hele lijn.

In een vlotte en aangename stijl rekent de jonge wetenschapsfilosoof systematisch af met de voornaamste doembeelden die ons kunnen belemmeren in onze vooruitgang. In zijn goednieuwsshow gaat hij eerst op zoek naar de oorsprong van dat bittere pessimisme. Niet alleen hebben de pessimisten ongelijk, hun ideeën zijn zelfs ronduit gevaarlijk.

De kern van zijn betoog? Er is steeds minder racisme, ongelijkheid en armoede in de wereld, maar de wet van het behoud van gezeik zorgt ervoor dat we altijd wel ergens over hebben te klagen, hoe goed het ook met ons gaat. Als boodschapper van dat goede nieuws wordt hem echter zelfgenoegzaamheid verweten. Iedereen verguist deze variant op Cassandra, toch zet hij dapper door, lijkt hij te zeggen.

Zo ontkent Boudry de problemen met fundamentalisme niet, maar haalt hij xenofobe zorgen over een nakende burgeroorlog of islamisering onderuit met historische feiten. Als het christendom gematigder kan worden, dan de islam ook. Islamofobe doemdenkers goochelen dus met foute (of geen) statistieken in hun veel te pessimistische visie op de islam anno nu.

Zo ook met klimaatalarmisten. In zijn langste hoofdstuk erkent de optimist het probleem van de opwarming van de aarde, maar stelt hij dat dit beheersbaar is. Na het uitvaren tegen ecologisten allerhande breekt hij een lans voor ecomodernisme. Hiervoor is een open geest voor alle mogelijke alternatieven nodig, waaronder ook kernenergie.

De voorbeelden die hij aanhaalt om zijn stellingen mee te ondersteunen, zijn helder. Boudry put handig uit onze algemene kennis: van Aesopus tot Monty Python. Ook zijn metaforen zorgen voor een visueel begrip van zijn betoog. De verlichting is een woekerende veenbrand; de vrijemarkteconomie een open en vrije arena. Saai kunnen we het boek niet noemen, het is onderhoudend en blijft boeien.

Toch lezen we ook redeneringen of gevolgtrekkingen die wat vreemd overkomen. Het aandeel van toegepast neoliberalisme in de bankencrisis wordt weliswaar toegegeven maar lijkt op te lossen in een bevlogen verdediging van vooral de term ‘neoliberalisme’ zelf. Bij zijn optimistische kijk op racisme lijkt hij de invloed van leiders genre Trump op het dagelijkse racisme te onderschatten. Racisme mag globaal dan wel afnemen, we mogen niet te licht gaan over zulke opstoten. Ook toenemende schaarste kan voor een dalende zorg voor mensenrechten en voor meer oorlogen zorgen. Dat het steeds beter gaat, is dus in zekere zin maar één kant van het verhaal.

Toch slaagt het boek in zijn opzet. De wereld gaat niet naar de knoppen (niet dat de grote meerderheid van de denkers en opiniemakers die hij bekritiseert daarin gelooft). Het ontnuchtert en zet aan tot denken, met materie die het voortschrijdend inzicht voedt. Hartverwarmend is zijn oproep om The Pledge te ondertekenen en dat vooruitgangsdenken in effectief altruïsme om te zetten (al missen we bronnen die staven hoe inefficiënt de meest bekende goede doelen dan wel zijn). Via een logische opbouw voert Boudry ons naar een probleemoplossend besluit. Best verfrissend in tijden van polarisering en, wel ja, doemdenken.

 

Details Non-fictie
:
:
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
344