Luuk Gruwez, 'Lagerwal'

Kort gezegd: prachtig

Soms denk je ‘dit is het!' als je nog maar een paar regels van een nieuwe dichtbundel hebt gelezen. En heel soms wordt dat gevoel telkens bevestigd naarmate je verder leest in het boek. ‘Lagerwal' van Luuk Gruwez (1953) is zo'n bundel.

‘Lagerwal' is de tiende dichtbundel van Gruwez, die naast poëzie ook proza, columns en essays schrijft. Na zijn debuut in 1973 werd hij tot de neoromantiek gerekend en zijn voorliefde voor Grote Gevoelens als dood en vergankelijkheid is hij nog niet kwijt, al verwoordt hij ze op een lichte toon. Gruwez' werk leest erg fris en bovendien is hij geëvolueerd zonder dat hij zichzelf heeft moeten heruitvinden of in herhaling te vallen. En hij mag dan al een gevestigde literaire waarde zijn, hij weet zichzelf te relativeren met de nodige nuchterheid.

‘Extra time', ‘Artiesten, meneer', Plaats en tijd' en ‘Sprekend vlees' zijn de vier delen van de bundel. De vijfentwintig gedichten zijn in Gruwez' gekende stijl: een duidelijke opdeling in strofes, enjambementen, vaak een ik-figuur, geen nadrukkelijk rijm, tenzij als woordspel zoals in ‘Niets': ‘Niets eindigt zoals het hoort. Niet / het dankwoord en niet de lustmoord, / niet het rustoord en niet het slotakkoord. / Geen enkel rijmwoord. Niets zoals het hoort.' 

‘Lagerwal' opent met ‘Moeders', een prachtig gedicht, geschreven met de nodige zachtheid, maar ook eerlijk en rechtuit. Vergankelijkheid ligt altijd op vinkenslag bij Gruwez en ook in ‘Moeders' is dat niet anders. ‘Lamento voor Juul' gaat over een dode - een aan lagerwal geraakte? - die niet gemist wordt. 

De tweede cyclus, ‘Artiesten, meneer', is met de nodige zelfrelativering en humor geschreven. ‘God betreurt Mozart & co' opent met: ‘Die Mozart had hij beter niet geschapen, de goede God: / massa's overuren nodig voor een bestaantje van / maar vijfendertig jaar. Hij had het bij de paradijselijke / sachertorte moeten laten of bij de mozartkügeln // van Herr Fürst. [...]'.

Deel drie, ‘Plaats en tijd', gaat onder meer over Watou en Deerlijk. West-Vlaming Gruwez verkaste naar Limburg en haalt in zijn poëzie zijn hart op, onder meer over de Hasseltse vrouwen in ‘Hasselt': ‘Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen / die zich moedwillig van lippen vergissen, / iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen. / Ze kijken hun wimpers los van hun ogen.' In ‘Hoevenzavel', over een multiculturele wijk in Genk, beschrijft hij de wereldse invloeden van allochtonen, maar helaas met een vrij saaie, alledaagse beeldspraak: de straat die een dorp wordt, het dorp dat de stad wordt en de stad die de wereld wordt.

In het laatste deel, ‘Sprekend vlees', toont Gruwez weer waar hij zo goed in is: dat heerlijke relativeren. Zoals in ‘Aan tafel': ‘Prins Varken, geen gelamenteer, verander snel in koteletten, / in bloedworst, reuzel, stoverij: bevel van hogerhand, jawel.' En in ‘Desideratum' breit hij dragqueens, boerinnen, de caissières van de Spar en astronauten naadloos aan elkaar. Tussen het jubelen en juichen vanwege zoveel woordenpracht door toch een paar noten van kritiek: in ‘De terminale minnaars' raakt Gruwez de balans kwijt en morst hij met stroperigheid. ‘Hoe krijg je een hiernamaals vol' is inhoudelijk minder boeiend.

Maar deert ons dat? Nee, dus eigenlijk kunnen we erg kort zijn: ‘Lagerwal' is prachtig. In ‘Aan een collega' definieert hij poëzie als ‘die oudste industrie van het verdriet'. Als poëzie een industrie is, dan heeft Gruwez misschien nu al het product van het jaar afgeleverd.

Details Poëzie
Auteur: Luuk Gruwez
Copyright afbeeldingen: De Arbeiderspers
Uitgever: De Arbeiderspers
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
51