Lev Tolstoi, ‘Wat is kunst?’

Liever de verteller dan de wijsgeer

Nieuw is ze niet, de vraag waarover PVV’ers en N-VA’ers zich met een smalende grijns buigen. ‘Wat is kunst?’ is voor hen echter geen semantisch-filosofische denkoefening, maar een aanleiding om het over subsidiegelden te hebben. Bestempelde politicus Filip Dewinter vorig jaar menig cultuurliefhebber in het parlement nog als subsidiejunkie, dan dient er geen twijfel meer over te bestaan: kunst is tegenwoordig geen vanzelfsprekend onderdeel meer van een beschaving. Opera, theater en literatuur als een wereldvreemde cocon voor een gegoede elite die ter persoonlijk vermaak het geld van de belastingbetaler opsoupeert?

Vanzelfsprekend is het tegendeel waar. Honderden essayisten hebben hun specialistische opinie ter zake al met de medemens gedeeld. Alleen al het gegeven dat het populisme quasi meer vanuit de kunsten dan vanuit de media wordt geanalyseerd, is een argument dat haar belang staaft. Behalve een ontroerende heeft kunst ook een intellectueel bezinnende dimensie. Over een eventuele recreatieve component van de definitie is het laatste woord daarenboven nog niet gezegd: is het niet tevens het escapistische in muziek of op tv dat miljoenen mensen in vervoering brengt? Of is kunst vandaag bovenal een woord dat door deze of gene wordt opgeëist, terwijl het anno 2013 simpelweg een noemer zou moeten zijn voor een beleving die mensen raakt, op individueel of groepsniveau?

Ook Lev Tolstoi is blijven stilstaan bij dat ene woord. Wat betekent het, waarop is het van toepassing, hoe brengt men het in de praktijk …? Zijn ideeën verschenen in 1897 en 1898 in een tijdschrift over filosofie en psychologie en zijn inmiddels dankzij eminent vertaler Hans Boland in het Nederlands verkrijgbaar. Het is niet onbekend dat Tolstoi’s werk eigenlijk in twee luiken kan worden opgdeeld: een theoretisch en een narratief. In een boek als ‘De Kreutzersonate’ komen die beide samen en daaruit blijkt dat het als lezer niet zo gemakkelijk is om even verslingerd te raken aan de denker als aan de romancier. Trekt de man in die polemische novelle nog van leer tegen de romantische liefde en het huwelijk, dan verplaatst het onderwerp zich hier naar de kunsten. Ook nu weer treft men radicale, eerder vreemde ideeën aan: Tolstoi verwerpt bijvoorbeeld de artificiële ontroering van een opera (aangedikt met absurde voorbeelden in wat door de schrijver baldadig en vlijmscherp op papier wordt gezet) om het gezang van pakweg een dozijn boerenvrouwen te verheerlijken.

Tolstoi’s levensloop kan niet buiten beschouwing gelaten worden wanneer ‘Wat is kunst?’ ter hand genomen wordt. ‘Anna Karenina’ en ‘Oorlog en vrede’ heeft hij al ruim twintig jaar achter zich gelaten en inmiddels is de auteur een soort christelijk sekteleider geworden. Dat hij in deze geschriften zijn eigen meesterwerken van de hand wijst en het eenvoudige leven predikt, is vanuit menselijk oogpunt interessant. Ideëel is het debat over kunst echter te veel geëvolueerd om vrede te kunnen nemen met Tolstoi’s uitlatingen. Complexiteit is in de twintigste eeuw immers een parameter geworden die zich met het gevoel heeft verweven. Tegenwoordig wint maatschappijkritische kunst ook steeds meer terrein. Het primitieve waar Tolstoi voor ijvert, verdient aandacht, maar biedt geen afdoende antwoord op de vragen die er vandaag zijn. In zijn sappig voorwoord noemt Arnon Grunberg dit boek terecht een ‘uitnodiging de eigen dogma’s aangaande kunst eens kritisch te onderzoeken’. Hij noemt het verfrissende lectuur en dat is het ook, misschien nog meer stilistisch dan inhoudelijk.

Details Non-fictie
Liever de verteller dan de wijsgeer
Originele titel:
Chto takoe iskvsstvo
Vertaling: Hans Boland
Met een voorwoord van: Arnon Grunberg
Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
230