Leen Verheyen, 'Wat de lezer leert'

De lezer leert niets… en alles tegelijk

Als gepassioneerde lezers willen we graag geloven dat we door het lezen van Literatuur betere mensen worden. Dat we na de laatste pagina van het zoveelste boek meer inzicht hebben verworven in onze medemens. Dat we ons kritischer opstellen tegenover ons eigen denken en minder snel in de val van framing trappen. Maar is dat ook zo?

Wetenschappelijke studies proberen al langer te achterhalen hoe groot de impact van literatuur is op ons denken, handelen en zijn. Helaas schiet elke studie wel op een of ander vlak tekort. De resultaten die eruit voortkomen vertrekken al te vaak vanuit een te enge vraagstelling, houden te weinig rekening met een diversiteit aan factoren. Maar daar ligt net de moeilijkheid. Er is namelijk niet één enkele interpretatie van een literair werk, want ‘elke lezer vindt de betekenis van het werk opnieuw uit.’ Misschien willen onderzoekers wel te hard bewijzen hoe waardevol lezen is. Daarom laat Leen Verheyen de denkers aan het woord in ‘Wat de lezer leert’, niet de cijfers.

Het siert Verheyen om haar invalshoek niet te parkeren bij een specifieke groep van filosofen, of binnen een enkele strekking. De meerwaarde van haar essay zit net in het tegenover elkaar plaatsen van verschillende visies, in de contradicties tussen de uitgangspunten, in de veelheid aan conclusies. En Verheyen is niet te beroerd om er zelf nog een gevolgtrekking aan toe te voegen: literatuur maakt van ons niet zozeer een beter mens; wel een ander mens.

Tot die vaststelling komt ze nadat een aantal filosofen de revue zijn gepasseerd. Verheyen houdt het gelukkig overzichtelijk en plaatst de grote meningen tegenover elkaar, om een consensusfiguur de knoop te laten doorhakken. Haar essay is dan ook opgebouwd als een academisch werk, met een inleiding, uitwerking en conclusie. Ze begint met een duidelijke vraagstelling, laat de verschillende partijen hun antwoord formuleren, om er uiteindelijk haar eigen, overschouwende mening over te geven. Alles netjes, volgens de regels van de kunst.

Verheyen concentreert zich in haar verhandeling op de vraag hoe we ‘de cognitieve en de ethische waarde’ van literatuur kunnen begrijpen. Hoewel ze tot een antwoord komt, merkt ze op dat haar antwoord ‘slechts een voorlopig antwoord’ is. ‘Het is een aanzet tot verdere reflectie en discussie.’ Hiermee raakt ze het kernprobleem aan van wat de nut van literatuur kan zijn. Het beleven van literatuur is namelijk zo een persoonlijke ervaring dat het haast onmogelijk is om een duidelijk en eenduidig antwoord te formuleren. Een auteur schrijft een boek vanuit een bepaald motief; een lezer interpreteert dat boek met zijn referentiekaders. Probeer daar maar eens algemeenheden uit af te leiden.

Net die complexiteit vindt Verheyen intrigerend en zette haar aan om ‘Wat de lezer leert’ te schrijven. Het nut van literatuur en het lezen van literatuur beantwoordt ieder voor zichzelf. De een leest om kennis op te doen, de ander omwille van het esthetische karakter. De een wil de ander leren kennen, terwijl die ander vooral zichzelf wil doorgronden.

Voor je de neiging krijgt te geeuwen bij zoveel theoretisch gebral, slaagt Verheyen erin die reflex te onderdrukken door het al bij al vrij luchtig te houden. Ze duidt de filosofen met de nodige kennis en licht er enkel de standpunten rond literatuur van uit. Ze dooradert het geheel met (minder) actuele voorbeelden, verwijst naar academische studies, en plaatst er onmiddellijk vraagtekens bij. Een gewaagde oefening die ze voortreffelijk uitvoert in het gebalde essay dat ‘Wat de lezer leert’ toch is.

 

Details Non-fictie
Auteur: Leen Verheyen
Uitgeverij: Letterwerk
Distributie: EPO
Reeks: Questa-reeks
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
63