Koen Peeters, 'De mensengenezer'

De taal als bot instrument

'Ik zou de zoon van koning Boudewijn kunnen zijn, ik ben even ernstig.' Toen Peeters zich in 2001 - naar aanleiding van de publicatie van zijn roman 'Acacialaan' - liet interviewen, werd de bewuste zin uit zijn mond opgetekend. Hoewel zijn proza minder ronkerig is dan dat van Dimitri Verhulst en zijn romans minder soapelementen bevatten dan die van Tom Lanoye, vinden we hem een van de trefzekerste stemmen die België herbergt.

'De mensengenezer' speelt zich af in hetzelfde gebied als dat van Verbekes 'Dertig dagen': de Westhoek, waar de dood de belangrijkste toeristische attractie vormt. Bij Verbeke voelt de Westhoek aan als een toneelachtige achtergrond waartegen de verhalen van haar personages verteld worden; hier wordt een poging ondernomen om de ziel van dat gebied onder woorden te brengen.

Remi, een lokale boerenzoon, voelt langzaam een intellectuele kloof groeien tussen zichzelf en zijn familie. Op school leest hij Knut Hamsun en de Faust van Goethe. Hij houdt van de chansons van Jacques Brel. Tegelijkertijd is de affectie voor zijn nonkel Marcel en zijn ouders immens. De verhalen die nonkel Marcel afsteekt over de Congolese soldaat intrigeren hem, wat er indirect voor zorgt dat hij naar de abdij van Drongen trekt. Van daaruit vat hij de reis naar Congo aan, om er ter plaatse te concluderen dat daar evenveel 'onuitgesproken' blijft als thuis. De academische taal die Remi als professor hanteert om zijn ervaringen te duiden in Congo lijken in essentie sterk op de eigengereide taal van de Westhoek. Allebei lijken ze doordesemd met een soort sjamanisme, proberen ze diep door te dringen in de menselijke ervaring. Welke taal de mens ook spreekt, steeds ontsnapt er 'iets'.

Remi's verhaal wordt neergepend door zijn student. In de voetsporen van zijn professor trekt hij door de Westhoek en Congo, terwijl hij ondertussen hoopt zijn studie antropologie af te werken met de scriptie 'De krokodil in populaire verhalen en hedendaagse voorstellingen'.

De manier waarop Peeters Remi's passage bij de jezuïeten neerzet, deed ons denken aan 'Underworld' van Don DeLillo. Ook daarin wordt hoofdpersonage Nick Shay zich bewust van het belang van precieze taal wanneer een jezuïet hem vraagt alle delen van zijn schoenen te benoemen en hij daarin niet slaagt.

'Ik leerde mijn ziel ordenen in een langdurig overdenken en afwachten. Ik leerde mijn gevoelens benoemen, om vervolgens onthecht en onverschillig te worden ... Als in een film observeerde ik mezelf. Zo leerde ik mijn prikkelbaarheid, mijn stemmingen begrijpen.'

De ingrediënten waaruit deze roman bestaat - zingeving, religie, dood - zouden aanleiding kunnen geven tot kwezelarij. In die val trapt Peeters evenwel niet; de scherpe observator in hemzelf behoedt hem voor luchtfietserij. Wanneer de verteller bijvoorbeeld langs de rouwende Canadese soldaat in Sint-Juliaan rijdt, merkt hij behalve het opschrift 'Glorieusement tombés' ook de reclame op voor een Vlaamse kermis: 'Welkom op het Quadtreffen van de Landelijke Gilde. De samenkomst is in café De Zwaan'.

Het is opmerkelijk hoe een door en door Belgische roman aanvoelt als een document uit een andere beschaving. Alsof je je als lezer bewust wordt van een andere werkelijkheidslaag binnen onze wereld. Vreemd en vertrouwd in een constant refrein.