Joseph Roth, 'In het land van de eeuwige zomer'

De romancier als journalist

Joseph Roth, de joods-Oostenrijkse schrijver, alom geprezen voor zijn romans 'Job', 'Radetzkymars' en 'Hotel Savoy', was ook als journalist actief. Na eerder verschenen titels als 'Waar het me slecht gaat is mijn vaderland', 'Hotelmens' en 'De blonde neger en andere portretten' is er nu, alweer in een vertaling van Els Snick, 'In het land van de eeuwige zomer. Reportages uit Frankrijk'. Roths liefde voor la douce France is geen verrassing. Eerder beschreef hij in zijn essay 'Joden op drift' al dat Oost-Europese Joden niet makkelijk de weg naar Parijs vinden. Brussel en Amsterdam liggen meer voor de hand. Marseille daarentegen, draagt hij in zijn hart.

'Een klein aantal joden, slechts enkele, blijft in Marseille. Ze worden tolk. Tolk is een joods beroep (...) Het gaat erom de buitenlander te vertalen, ook al heeft hij niets gezegd. Hij hoeft zijn mond niet open te doen. Christelijke tolken geven misschien een vertaling. Joodse tolken voelen ze aan.' 

Hoe treffend brengt hij dit keer Frankrijk in beeld en dat allemaal omdat hij op een dag besloot journalist te worden, al was het maar uit wanhoop over het onvermogen van alle beroepen hem te bevredigen. Zijn passage in Lyon is daarvan een mooi voorbeeld. Geen klassieke toeristische lofzang, wel een nauwkeurige schets vol wetenswaardigheden en saillante details. Roth dringt hier door tot het kloppend hard van deze stad van zijdewevers.

'De was van de hele stad wordt in de Rhône schoongespoeld. Het lijkt alsof het menselijk vuil hier verdwijnt, alsof deze vrouwen de hele dag bezig zijn om de zielen van de inwoners van Lyon schoon te houden.'

Voorts is er zijn fascinatie voor de havenstad Marseille, de grote poort naar het Oosten, waar hij in de hoofdstraat, de Canabière, struint. Een smeltkroes van Algerijnse Joden, Chinezen, Indiërs, Japanners, Grieken, enzovoort. Daar voelt hij zich in zijn sas, al was het maar omdat de terrassen van de cafés - waar hij als notoir drinker neerstrijkt - een groot deel van het trottoir in beslag nemen.

Geestig is dan weer hoe hij de mondaine badstad Nice in beeld brengt. Een stad, volgens Roth, gesticht door schrijvers van gezelschapsromans. De bewoners ervan zijn niet door God geschapen, maar 'van papierstof gemaakt'.

Een ander hoogtepunt en bijzonder aangrijpend is 'Sentimentele reportage', verschenen in de Frankfurter Zeitung. In een niet nader genoemd kuuroord in het zuiden van Frankrijk staat er plotseling een hond voor zijn hotel. Een zwerfhond waarover hij zich ontfermt en naar een dierenarts in de buurt brengt. Een met een vlijmscherp geschreven fragment, waarvan hij alleen het geheim recept bezit.

In schril contrast hiermee staat zijn bezoek aan de mondaine badplaats Deauville, waar hij de Parijse autokoning André Citroën opvoert. Hij woont er in een rustige straat waar hij zelfs niet mag claxonneren. Een met uiterst precisie geschreven reportage net als zijn bijdragen over Les Beaux (de stad is gespleten), Avignon (de witste stad ter wereld), Nîmes (niets verstoort er het bourgeoisleven) en Arles (de stegen zijn er smal). Om nog te zwijgen over het frivole Parijs, waar hij uitgerekend voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in ellendige omstandigheden sterft.

Dit werk is een aanwinst voor iedereen die van stilistisch hoogstaande journalistiek houdt. De tijd heeft ondertussen de beschreven mensen weggewist, de tekst blijft. 

Details Non-fictie
vertaling: Els Snick
Uitgeverij: Bas Lubberhuizen
Jaar:
2017
Aantal pagina's:
240