Jeroen Brouwers, 'Cliënt E. Busken'

Wie schuilt er achter cliënt E. Busken?

Over luttele weken wordt Jeroen Brouwers tachtig. In afwachting van het feestgedruis trakteert hij zijn talloze fans alvast op een nagelnieuwe roman, 'Cliënt E. Busken'. Een tegelijk hard en ironisch boek van de hoogste kwaliteit.

Oud worden, het is voor sommigen geen al te prettig vooruitzicht. Neem nu meneer Busken, het hoofdpersonage uit  'Cliënt E. Busken'. Na een kwalijke val wordt hij, ondanks fel protest, naar een ziekenhuis afgevoerd. Dat hij de ambulanciers 'smurfen' noemt, typeert meteen het karakter van de man. Een eigenwijs iemand die zich door niemand de les laat spellen en maar al te goed weet wat hem in de winter van zijn leven te wachten staat. Eenmaal uit het ziekenhuis ontslagen komt hij in een verzorgingsinstelling terecht. Wat hem in home Madeleine overkomt wordt genadeloos - een geslaagde mix van bikkelharde realiteit en milde ironie - in vakkundig meanderende volzinnen beschreven.

'Om me heen kijkend registreer ik hoe sommige cliënten hier met een lege blik voor zich uit staren, het lichaam wiegend, naar voor, naar achter, het gezicht in kreukels van het denken, maar wat denken ze, waar denken ze aan, een euro voor hun gedachten, welk geldstuk ik beter bij me kan houden, ik krijg er niets voor dan luchtledigheid.'

Hoe rooskleurig alles door de directie wordt voorgesteld voor meneer E. Busken - hij wordt er een cliënt in plaats van een patiënt genoemd - houdt home Madeleine het midden tussen een gevangenis en een vrijheidsberovende firma. Wie hij in werkelijkheid is, de lezer heeft er het raden naar. Een filosoof, een ingenieur, een schrijver of iemand anders? Het vermoeden is groot dat een schrijver - Brouwers himself? - het dichtst in de buurt komt. Er zijn immers tal van verwijzingen naar Nederlands-Indië, potloden en papier die altijd binnen handbereik zijn.

'... terwijl ik toch een bezonken intellectueel en geestesaristocraat ben, een geletterde met een welhaast religieus taalbesef en een woordenvariëteit als een bloementuin, waarmee ik mijn gedachten adequaat en helder, tevens elegant, weet te formuleren, daar sta ik om bekend, maar mijn woordenkamer lag chaotisch overhoop.'

Het is vooral schrijnend hoe hij door het verplegend personeel wordt behandeld, meer nog hij met zijn lichamelijke aftakeling wordt geconfronteerd. Bovendien is van echte communicatie met andere gasten en verzorgers - hij wendt voor doofstom te zijn - allerminst sprake. Dit neemt evenwel niet weg dat hij alles wat om heen gebeurt haarscherp observeert.  Het is dan ook wonderbaarlijk hoe Brouwers in deze roman uitgerekend één dag uit het leven van E. Busken - zijn voornaam wordt niet onthuld - in een loepzuivere stijl en volzinnen, die schitteren als vers geslepen diamanten, verwoordt.

Op je tachtigste nog met zo'n roman komen aanzetten, het is een zelden geziene prestatie van een uitzonderlijk schrijver die we dankbaar mogen zijn voor wat hij ons al aan romans, verhalen, essays, feuilletons en autobiografische geschriften heeft geschonken.