Jelmer Jepsen, 'Vallen als het heet is'

Terreurvormige moedervlek

Bestaat er een middel dat meer geschikt is dan literatuur om het verleden te overpeinzen en het duel aan te gaan met mogelijke traumatische ervaringen? De Nederlandse auteur Jelmer Jepsen lijkt de louterende kracht van fictie te valideren. In zijn beklemmende debuutroman, ‘Vallen als het heet is’, grijpt hij terug naar zijn jeugd en de schaduw die het ziektebeeld van zijn moeder over zijn leven wierp.

Dat het Jepsen menens is blijkt uit de taal die hij bezigt om zijn goeddeels autobiografische relaas te ontvouwen. Waar andere jonge schrijvers zich menen te moeten verlaten op ironie en sarcasme om de gedachtenwereld van hun personages vorm te geven, steunt het register dat Jepsen zijn protagonist toedicht op authenticiteit. Hij wroet zich voorbij het oppervlak. Door resoluut niet te kiezen voor een relativerende, vlot weg te happen humoristische stijl, wint zijn roman aan urgentie. Hier staat iets op het spel: de debuterende schrijver wil niet alleen een roman schrijven die er toe doet, maar in de eerste plaats een fictief verhaal dat recht doet aan de ellende die hij zelf heeft meegemaakt.

Een korte proloog zet de maat voor wat volgt: Morris slentert op een zonnige dag zorgeloos rond als hij plotsklaps tegen zijn moeder aanbotst. Hij had op dat moment al een paar maanden de band met zijn moeder verbroken, een vlucht die kiemde in een hysterische actie die zij ondernam tegen een liefje dat hij het huis had binnengesmokkeld, om zich samen met haar over te geven aan de lenige liefde. In het eerste echte hoofdstuk zijn we vijftien jaar verder en zijn moeder en zoon er wel erg goed in geslaagd elkaar al die jaren straal te negeren.

Het alibi dat Jepsen opvist om een reünie tussen beiden uit te lokken, is de terminale ziekte van Isabelle Wolfsen, Fiekes moeder. Voordat ze het aardse met het eeuwige inruilt, wil ze haar dochter nog een laatste keer zien. Dertig jaar geleden liep hun laatste onderonsje op een sisser uit. Morris’ oma slijt haar laatste dagen in een Corsicaanse verzorgingsinstelling, en dus moet Fieke het vliegtuig op, een obstakel dat ze met haar wispelturige aard niet alleen weet te verbijten. Hier komt Morris in beeld, uitverkoren als hij is om zijn geesteszieke moeder te escorteren.

Dat er nogal wat toevalligheden aan te pas zijn gekomen om Morris met zijn moeder op te zadelen (onder meer een been van Morris’ tante Moniek dat nodig gegipst moest worden), weet Jepsen naar de achtergrond te duwen van zodra de calvarietocht van moeder en zoon begint. De sfeer die hij oproept is zo wrang en ongemakkelijk dat het euvel van de enigszins geforceerde plot weinig meer voorstelt.

Het universum dat Jepsen schetst is doordrenkt van onuitgesproken, diepgewortelde sentimenten. Hij slingert Morris heen en weer tussen haat en meededogen, en die slingerbeweging is overtuigend. Want welk perspectief je ook kiest om de complexiteit van een ouder-kind-relatie te benaderen, je kunt niet om de loyauteit heen die een zoon aan zijn moeder bindt. Morris, in het volle besef van die moedervlek, denkt verschillende keren dat hij nu echt wel een nieuwe start heeft genomen, maar aan één woord of een blik heeft zijn moeder genoeg om hem terug in de mal van zijn geblutste ziel te persen.

Onberispelijk is ‘Vallen als het heet is’ niet. Te weinig zinnen vragen om nog eens gelezen te worden. Dat Morris een zoon heeft, diept de auteur onvoldoende uit. De flashbacks waarmee hij het verleden reconstrueert neigen teveel naar een vast stramien. In de zinderende finale compenseert hij die leemtes. Jepsens debuut is hoopgevend voor wat komen mag.

Details Fictie
Auteur: Jelmer Jepsen
Uitgeverij: Prometheus
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
222