Henry David Thoreau, 'Walden'

Het nut van goede architectuur

Wie deze zomer Watou bezocht zag er de sculpturen van Stief DeSmet (1973). Van veraf gezien lijken het fragiele constructies van sprokkelhout, maar wie dichterbij komt merkt dat de takken in brons gegoten zijn. Wat zwak lijkt, blijkt robuust.

DeSmet verwijst met zijn werk naar Thoreaus 'Walden', een werk dat doorheen de jaren overwoekerd werd door allerhande misverstanden. Thoreau (1817-1862)  zou een misantroop geweest zijn, 'Walden' was het product van een idiosyncratische eenzaat die liever tegen een boom sprak dan een mens. En het boek zou vol onleesbare mystieke passages staan.

Het voorwoord van Paolo Cognetti werkt verhelderend en zorgt ervoor dat de mentale stofwebben rond dit rijke boek weggeborsteld worden. Want dit werk is misschien anno 2019 relevanter dan ooit. In een periode waarin vragen gesteld worden over hoe we in de nabije toekomst zullen wonen, biedt 'Walden' een ander perspectief op de vraag hoe kwaliteitsvol om te springen met onze omgeving.

In de tweede helft van de negentiende eeuw trok Thoreau zich terug in de bossen om daar nauwgezet zijn bevindingen over de 'economie van het leven' neer te pennen. Werkelijk geïsoleerd was hij niet. Zijn ouders woonden niet te veraf, op gezette tijden bezocht hij het dichtsbijzijnde dorp en hij werd frequent bezocht in zijn minimalistische hut door vrienden en vage kennissen.

In essentie voerde Thoreau de ideeën uit van Marc-Antoine Laugier (1713-1769), de Franse jezuïet die stelde dat een mens genoeg had aan een primitieve hut om in te leven.

'Maar als iemand van plan is een huis te bouwen om in te wonen, komt een beetje Yankee-schranderheid wel hem van pas, zodat hij niet uiteindelijk terecht in plaats daarvan in een werkinrichting terechtkomt, in een onontwarbaar labyrint, een museum'

Door de spaarzame constructie van zijn stek, wordt Thoreau gedwongen met een scherper oog zijn omgeving te observeren. Het levert zinnen op die puntig en lyrisch zijn. Een paar keren raken we hem kwijt. Wanneer hij schrijft dat hij eerder de vriend dan de vijand is van de omliggende dennenbomen, vragen we ons af of hij soms niet te ver doorschiet in zijn antropomorfisme.

Toch is dit een werk waarbij je als lezer gedwongen wordt om je ideeën over de wisselwerking tussen individu en omgeving tegen het licht te houden. 'Walden' voelt als een spitse mentale dialoog aan waarbij je uitgedaagd wordt om je visie te ontwikkelen wat nu precies een 'goed' leven voor je betekent.

Details Non-fictie
Vertaald Door: Anton Haakman
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
417