Guido Gezelle, 'Hoger dan de sterren'

Zappo-zap

In de essaybundel 'Vlaamse leeuwen' zoekt Jeroen Brouwers naar de reden waarom een Nederlandse roman als Hildebrands 'Camera obscura' nog steeds leesbaar is, terwijl Consciences 'De leeuw van Vlaanderen' in de lezersogen van nu een kluwen van obscuur klinkende zinnen is. De laatste vier bladzijdes van 'Hoger dan de sterren' beslaan een verklarende woordenlijst, wat essentieel is bij de lectuur van deze verzamelbundel. Tenzij je voor de vuist weg weet wat een 'yeeste' is of 'bansen' zijn.

Even topzwaar om lezen als 'De leeuw van Vlaanderen' anno 2018? Neen, integendeel. Zelf werden we ingewijd in Gezelles taaluniversum in het eerste jaar van het lagere onderwijs. Zoals miljoenen anderen dienden we 'Het schrijvertje' af te drammen, trillend staande voor de klas. De leraar slaagde erin om de tekst van 'Het schrijvertje' te benaderen met het enthousiasme van een nieuwslezer in de USSR anno 1974. En toch dragen we die tekstregels nog steeds in ons mee, een teken van de kracht van Gezelles taal.

Zoals Matthijs de Ridder opmerkt in het nawoord, is het lezen van Gezelle soms een evenwichtsoefening. Gedichten als 'Het meezennestje' ('tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om') of 'Congolanders' ('Zappo-zap, dat hoore ik gerne') hebben geen enkele omkadering nodig. Het zijn - net als Paul Van Ostaijens werk - teksten die, voor iedereen die niet met onze taal omspringt als een krenterige ambtenaar, een onmiddellijke impact hebben. We maken ons sterk dat een groot gedeelte van de gedichten hier in staat zijn nogal wat zielen korte gelukssprongetjes te bezorgen.

Naast dat kommerloze taalplezier is er ook de moralist Gezelle, een aspect waar we in deze postmoderne tijden eerder nerveus om giechelen. Een werk als 'De Belg in 1848' is onmogelijk te lezen zonder dat te kaderen in de revolutiegolf die woekerde door Europa in 1848. Het biedt een inzicht in de romantische inborst van het ontluikende nationalisme dat vorm gaf aan de naties zoals we ze nu kennen en als 'normaal' beschouwen. Gezelle knipoogt nergens in 'Super flumina' of in 'Het stoomgevaarte', zijn taal voelt dwingend en komt op de lezer af als een pletwals.

Zoals Van Ostaijen opmerkte, hoef je de overtuigingen van Gezelle niet te delen om zijn taal te appreciëren. Net zoals je geen communist hoeft te zijn om Pablo Neruda's overweldigende 'Canto general' te lezen. Wie onder de indruk raakt van het personage Bardamu in Céline's 'Reis naar het einde van de macht' is daarom geen fascist. Goed geschraagde taalwerken ontsnappen immers aan politieke labels.

Dichter Erik Spinoy vatte het als volgt samen: 'Gezelle, Gainsbourg van de neogotiek.' Dat lijkt ons nog de beste typering voor de Brugse priester-dichter.