Eric de Kuyper, 'Applaus'

Een applaus waard

Een literair avontuur dat zich nog het best laat omschrijven als een botsing der generaties: als jong en (zelfverklaard) kritisch theater- en operaliefhebber de notities lezen van Eric de Kuyper, met zijn zeventig lentes ongeveer vijftig jaar meer ervaren dan ondergetekende in de desbetreffende materie. ‘Wat kan en moet theater zijn?’ is volgens de Kuyper een van de vragen die een recensent voor zichzelf moet uitgemaakt hebben vooraleer hij of zij de pen opneemt. Inderdaad is kritiek, als zijnde het proberen afwegen van een subjectieve ervaring aan de hand van geobjectiveerde parameters, niets anders dan vergelijken met ideeën waar je als kunstminnaar bij zweert. Maar aan welk (per definitie beperkt) bad van ervaringen kunnen die ideeën ontsproten zijn bij een prille twintiger?

Interessant aan ‘Applaus’ is dat de lezer gedwongen wordt de verworven inzichten in de media, theater en opera te herevalueren. Zaken die vandaag als evidenties worden ervaren, zag de Kuyper immers door de jaren heen aan belang winnen en door zijn ogen zijn ‘conceptualisering’ en ‘actualisering’ in de podiumkunsten bijvoorbeeld geen goede zaak. Zo wordt volgens de auteur de fantasie van de toeschouwer simpelweg beknot door het vertalen van een oude tekst naar een hedendaagse enscenering. Waarom parallellen tussen vroeger en nu expliciteren? Houdt dat geen onderschatting in van het denk- en abstractievermogen van de toeschouwer vandaag?

In het handvat ‘concept’, dat operaregisseurs als Stefan Herheim aangrijpen om aan het gekende repertoire nieuwe dimensies toe te voegen, ziet de Kuyper dan weer een soort vervreemding van waar het originele kunstwerk om draait. Het Regietheater, volgens de criticus een ontspoord voortvloeisel van het repertoiretoneel in Duitsland, denkt vanalles te moeten opblazen, terwijl de tand des tijds meestal bewezen heeft dat een oerproduct het waard is om uitgepuurd te worden opgevoerd.

Bovenstaande zijn slechts enkele fragmentarische voorbeelden van interessante punten waar de Kuyper vraagtekens bij plaatst. ‘Applaus’ leidt hoe dan ook tot een verruiming van de ideeën over theater, precies omdat de ervaring – doorgaans als vanzelfsprekend gepercipieerd – in heel toegankelijke taal geanalyseerd wordt.  Toch is ‘Applaus’ verre van een perfect boek. Het is niet helemaal duidelijk over welk tijdsbestek de Kuyper het boek heeft geschreven, maar de verzameling notities houdt niet altijd de vinger aan de pols. Kritiek op de programmatie van De Munt komt bijvoorbeeld wat ongelukkig uit de lucht gevallen: dat huis heeft de laatste jaren immers heel wat moois gepresenteerd. Daarnaast is het frustrerend (en tegelijk ook leerrijk) dat de Kuyper verwijst naar wat hij allemaal aan operaproducties gezien heeft in het buitenland; beschrijvingen waar de modale, Belgische operaliefhebber minder aan heeft.

Wat het meest afdoet aan de kwaliteit van ‘Applaus’ is de anekdotiek. Zo biedt de relatie tot de Kuypers eigen ‘kinders’ weinig meerwaarde. Structureel is deze bundeling ook nogal vrij opgevat en niet alle ballast werd geweerd. Dat is bijzonder spijtig, want aan waardevolle ideeën geen gebrek. De Kuyper is iemand aan wiens kennis niet kan getornd worden en zijn ervaring met alle kunsten op het brede spectrum tussen dans en film, lijkt niet eenvoudig te evenaren. Precies daarom had ‘Applaus’ een kernachtiger, abstracter en theoretischer gedaante moeten aannemen. In de vorm van een traktaat had dit boek minder lang op de nachttafel gelegen.

Details Non-fictie
Uitgeverij: Vantilt
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
247

Nieuwsbrief 7/7