Delphine Lecompte, 'Vrolijke verwoesting'

Genadeloze gedichten

Amper een jaar na 'The best of Delphine Lecompte' komt Delphine Lecompte (1978) alweer aanzetten met 'Vrolijke verwoesting', een nieuwe bundel. Het is zeer de vraag waar ze de energie vandaan blijft halen om met zulke hoge snelheid gedichten te schrijven en te publiceren.

Poëzie mag dan al een moeilijk verkoopbaar genre zijn, het weerhoudt Lecompte er niet van te dichten alsof haar leven ervan afhangt. Bij elk gedicht bloeit ze op, krijgt ze een stoot nieuwe energie om aan een ander te beginnen. Het wonderbaarlijke hierbij is dat ze telkens weer weet te verrassen en niet in de val van herhaling trapt. Bovendien is er altijd wel iets in haar schijnbaar onuitputtelijk universum waarover te schrijven valt.

Haar taal is misschien niet altijd zuiver - soms strompelt de ene versregel naar de andere - dat hindert niet. Dat geldt evenzeer voor het ritme van sommige gedichten - een klassieke poëtica, daar heeft ze lak aan - toch wordt hun zeggingskracht er niet door aangetast. Hier is een ongehoorzame dichteres aan het woord die zich door niets of niemand het zwijgen laat opleggen. Iemand die zonder al te grote woorden en wars van pathetiek haar demonen te lijf gaat: religie, de zeepzieder of haar ouders.

Geen enkele andere dichteres slaagt erin zo manifest aanwezig te zijn als Lecompte. Neem nu 'In de zaagmeelfabriek zijn we allemaal charmante wrakken', waarin ze een genadeloos portret van zichzelf en haar vader neerzet: 'Als hij droomt, dan droomt hij van zijn onevenwichtige dochter (=ik).' Haar moeder moet het evenzeer ontgelden: 'Mijn moeder kan je vergelijken met een jakhals: glanzend en spitsvondig.'

En toch slaagt ze erin geen moment zwartgallig te worden of haar kluwen van vreugde en verdriet in haar onnavolgbare wereld lichtvoetig te ontwarren. Een felgekleurd en zonderling universum waarin onder anderen een kraanmachinist, een stierenvechter, een zeepzieder, een messenwerper en, waarom ook niet, een twistzieke metselaar de dienst uitmaken. Het zijn stuk voor stuk personages die worden ingezet om een allegorische woordenvloed en de meest onwaarschijnlijke associaties op de lezer los te laten.

De uitspraak dat poëzie vooral een kwestie van wachten is, is allerminst aan Delphine Lecompte besteed. Haar werklust was de jongste jaren zo onstuimig dat ze nu best wat aan rust toe is. Al was het maar om te verhinderen dat ze op een dag een gimmick van zichzelf zou worden.

Details Poëzie
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
156